Seksismewet bestrijdt wél seksisme - Dirk Voorhoof

Een nieuwe wet die deze zomer van kracht werd, stelt seksisme in de openbare ruimte strafbaar. De wet zorgde al meteen voor heel wat discussie en vaak ook onbegrip. Er is opgeroepen om de wet zo vlug mogelijk af te schaffen. De kritiek komt er vooral op neer dat de strafbepaling inhoudelijk zo ruim en onduidelijk is, dat daardoor een ‘vrijwel onbegrensde’ beperking wordt gesteld aan de expressievrijheid. De felle kritiek negeert evenwel de bestaansreden van de wet: bestrijding van seksisme.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Bovendien bevat de definitie van seksisme een aantal cumulatieve voorwaarden, waarmee de wetgever een te verregaande beperking op de vrijheid van meningsuiting heeft willen voorkomen. Alvast een poging tot een meer genuanceerd debat en een aanzet tot meer inzicht in de nieuwe wettelijke bepaling.

Vrije meningsuiting

De nieuwe wet, die op 4 augustus 2014 in werking trad, bevat een nieuwe, bijkomende beperking op de vrijheid van meningsuiting. Die beperking wordt door de wetgever verantwoord op basis van de maatschappelijke noodzaak tot bestrijding van seksisme in de openbare ruimte. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp vermeldt dat ‘de ministers die dit ontwerp medeondertekend hebben de strijd willen aangaan met het achterbakse fenomeen seksisme en daarbij een evolutie op Europees niveau voorafgaan en zelfs inspireren’.

De wet heeft het over gebaren, handelingen of gedrag, maar het is duidelijk dat de wettekst tegelijk een beperking oplegt aan de expressievrijheid door voortaan uitingen van seksisme strafbaar te stellen. In de wet is niet enkel sprake van het ‘uitdrukken van minachting’: een daad of handeling kan ook een verbale daad zijn, een meningsuiting in het openbaar of een publicatie op een website of een boodschap via sociale media.

Het is ook duidelijk de wil van de wetgever om de strafbaarstelling van seksisme toepassing te laten vinden op seksistische uitingen op internetmedia: ‘De sociale netwerken toegankelijk voor het publiek kunnen ook een expressiekanaal zijn van seksistisch handelingen: bijvoorbeeld, de oprichting van een pagina waarop foto’s van jonge vrouwen worden gepubliceerd, privéfoto’s of foto’s genomen zonder hun medeweten, die verspreid worden zonder hun toestemming en waarop minachtende of openlijk seksistische commentaren bij gemaakt worden’.

Beperkingen

Om het toepassingsgebied niet te ruim te maken en het misbruik van het strafrechtelijk begrip seksisme te vermijden, wijst de memorie van toelichting op het belang van het samengaan ‘van de wil (bijzonder opzet of intentie) tot beschadigen en het vernederende effect van het seksistisch gedrag’. De wetgever wil de strafrechtelijke procedure ook strikt beperken tot ‘de ernstigste gevallen van seksisme’. Volgens de minister van gelijke kansen is het ‘niet de bedoeling al dan niet smakeloos geflirt of nafluiten op straat strafrechtelijk strafbaar te stellen’. Mede-indienster van een analoog wetsvoorstel, Eva Brems, toen nog parlementslid voor Groen!, drukte tijdens de parlementaire behandeling de zienswijze uit dat de strafbaarstelling van seksisme in de nieuwe wet ‘geen onevenredige beperking inhoudt van de vrijheid van meningsuiting’.

Ook is verduidelijkt dat de definitie van seksisme als voordeel heeft dat het verschillende hypothesen kan omvatten die momenteel niet gevat zijn door strafrechtelijke bepalingen van belediging of intimidatie of belaging, maar die een minachting uitdrukken voor een persoon omwille van het behoren tot een bepaald geslacht. Een gedrag kan erg minachtend zijn, zonder te beledigen, noch te intimideren. Een gedrag of uiting kan seksistisch zijn, zonder dat daarom sprake is van belaging.

Verduidelijkt is ook dat zogenaamde ‘seksistische reclame’ buiten de toepassing van de wet valt. Het seksismemisdrijf behelst immers geen situaties waarbij het vrouwelijk geslacht in zijn geheel wordt geviseerd, zoals aan machogedrag appellerende reclame, maar wel de gevallen waarbij een welbepaalde persoon of een welbepaalde groep van personen betrokken is. Overigens kan worden opgemerkt dat de media- en advertentiesector regelmatig wordt berispt door de Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame (JEP) wegens de al te seksistische teneur van sommige advertenties. Het inzetten van strafwetgeving om seksistische reclame te bestrijden zou inderdaad getuigen van ‘overacting’ door de wetgever.

Seksisme als misdrijf

Niet enkel uit de memorie van toelichting en de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wet een beperkt toepassingsgebied heeft. Ook en vooral de wettekst waarborgt dit. Het moet namelijk steeds gaan om een ernstige aantasting van de persoonlijke waardigheid en er moet sprake zijn van bijzonder opzet.

De definitie van seksisme bevat dus een aantal cumulatieve voorwaarden, waarmee de wetgever een te verregaande beperking op de vrijheid van meningsuiting wil voorkomen. De wet eist ook dat het gaat ‘om minachting uit te drukken ten opzichte van een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie’. De strafbaarstelling beoogt dus geen abstracte groepen van mensen, wel gedragingen en uitingen die om gender-gerelateerde redenen gericht zijn tegen een of meer welbepaalde personen.

Het is nu wachten op de eerste klachten en eventueel de eerste rechtszaak om te zien op welke manier en hoe heet de soep wordt gedronken. Hoe dan ook zal elke strafvervolging en toepassing van de wet die neerkomt op een inmenging in de vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door artikel 19 en 25 Gw en artikel 10 EVRM, grondig en pertinent moeten worden gemotiveerd en de gewraakte uitingen zullen in hun context gesitueerd moeten worden, rekening houdend ook met de impact ervan. Net als bij de antidiscriminatiewet, de antiracismewet en de negationismewet zullen de rechtscolleges er vooral moeten op toezien dat niet enkel aan alle wezenskenmerken van de strafbaarstelling is voldaan, maar dat ook bij het eventueel opleggen van een straf voldaan is aan een dwingende sociale noodzaak. Daarbij moet rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Europees Mensenrechtenhof, én van het Belgisch Grondwettelijk Hof.

Beide rechtscolleges hameren er telkens op dat in een democratische, verdraagzame en pluralistische samenleving plaats moet zijn voor opinies, denkbeelden en uitingen die kunnen kwetsen of choqueren. Er moet ook plaats zijn voor humor en satire en waar gehakt wordt vliegen spaanders in het rond: het maatschappelijk debat mag door de wet niet gehinderd worden. Het bewust en manifest aanzetten tot geweld, haat of discriminatie kan evenwel op geen bescherming rekenen vanuit dit perspectief. Het komt er nu op aan ook de bestraffing van seksisme in dit rijtje te zetten van aanzetten tot geweld, haat of discriminatie, met de eigen klemtoon van de seksismebestrijding.

Drukpersmisdrijf

Overigens rijzen twee problemen waar de wetgever nauwelijks of geen aandacht heeft aan besteed: seksisme via teksten, ook via internet of tekstboodschappen via sociale media, al dan niet vergezeld van beelden of foto’s, leveren een drukpersmisdrijf op, wat meteen impliceert dat dit soort zaken behandeld moet worden voor het hof van assisen. Enkel drukpersmisdrijven die zijn ingegeven door racisme of vreemdelingenhaat kunnen voor de gewone correctionele rechtbanken effectief vervolgd worden. Uitingen van seksisme vallen onder het gewone ‘regime’ van de drukpersmisdrijven en behoren dus tot de bevoegdheid van het hof van assisen, wat in de praktijk zal neerkomen op een feitelijke straffeloosheid.

Het feit dat in deze materie gedreigd wordt met gevangenisstraffen van een maand tot een jaar (!), is op zijn beurt problematisch en heeft in termen van de rechtspraak van het Europees Hof een ‘chilling effect’. Hoe dan ook is een veroordeling tot effectieve gevangenisstraf wegens een mondelinge of visuele uiting van seksisme moeilijk in overeenstemming te brengen met artikel 10 EVRM, omdat zo’n sanctie, naar zijn aard en ernst, beschouwd kan worden als een onevenredige straf. Tenzij het dus zou gaan om aanzetten tot geweld, haat of discriminatie wegens geslacht. Maar dat was al strafbaar via de bestaande antidiscriminatiewetgeving, en daarvoor was er dus geen nieuwe wet nodig.

Symboolwet

Het zou best wel heel lang kunnen duren alvorens het ooit effectief tot een strafvervolging en veroordeling komt wegens seksisme. De seksismewet is dus vooral een symboolwet, al kan van symbolen soms wel een sterke kracht uitgaan. Als de wet er samen met tal van andere maatregelen en een doorgedreven en actief diversiteitsbeleid uiteindelijk toe kan bijdragen om seksisme in de Belgische samenleving terug te dringen, en de rechtscolleges er strikt op toezien dat de wet geen hakbijl zet in de expressievrijheid maar wel aperte vormen van seksisme aanpakt, is toch weer een kleine stap gezet in de richting van meer gendergelijkheid en meer respectvol omgaan met mekaar.

(Dirk Voorhoof doceert mediarecht aan de Universiteit Gent en is lid van het Human Right Centre en het Center for Journalism Studies. Hij is ook lid van de Vlaamse Regulator voor de Media.)

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.