Waarom u last heeft van de winterblues

Wetenschappers hebben naar eigen zeggen ontdekt waarom sommige mensen last hebben van seizoensgebonden depressies. Dat meldt de Britse openbare omroep BBC.

Komend weekend is het zover: in de nacht van zaterdag op zondag schakelen we weer over van zomertijd op wintertijd. Weinig daglicht, druilerig weer ... Voor sommigen is het een ongemak. Voor anderen is het de hel. Ze genieten niet langer van dingen waar ze normaal gezien wel enthousiast over zijn. Angstgevoelens, lusteloosheid, concentratieproblemen, het zijn allemaal symptomen van een winterdepressie. Vrouwen zijn er gevoeliger voor dan mannen. En ze komen vaker voor in noordelijke landen. Maar er is hoop.

Wetenschappers van de Universiteit van Kopenhagen menen de sleutel te hebben tot het ontstaan van de winterblues. Ze onderzochten 11 mensen met een seizoensgebonden depressie en bestudeerden ook een controlegroep van 23 gezonde vrijwilligers. PET-scans (positronemissietomografie) van de hersenen toonden aan dat er bij mensen met een winterdepressie, afhankelijk van het seizoen, aanzienlijke verschillen optreden in de hoeveelheid serotoninetransporter (SERT). Dat zijn eiwitten die zorgen voor een goede signaaloverdracht in de hersenen. Een verstoring in dit systeem heeft een sterke relatie met depressie.

Minder licht, minder serotonine

De scans tonen aan dat mensen met een winterdepressie in de winter hogere SERT-spiegels hebben, terwijl dat bij mensen uit de controlegroep niet zo is. Zonlicht houdt de SERT-spiegels laag. Maar zodra de nachten langer worden, stijgen ze, waardoor de activiteit van het “gelukshormoon” serotonine verkort. Eerder al toonden studies een verband tussen seizoensgebonden depressies en fluctuaties in de SERT-spiegel. Deze studie is wel de eerste die de patiënten zowel in de zomer als in de winter volgde.

Hoe het komt dat licht de serotoninespiegel beïnvloedt, is nog niet duidelijk. In Noord-Europa hebben naar verluidt 12 miljoen mensen last van een seizoensgebonden depressie. De winterblues kun je behandelen met onder meer lichttherapie en cognitieve gedragstherapie.