Mensen leefden eerder dan gedacht hoog in de Andes

Zo'n 12.000 jaar geleden leefden kleine groepen van jagers-verzamelaars al op zeer grote hoogte in de Andes. Uit stenen werktuigen en andere voorwerpen blijkt dat de vroegste kolonisten van Amerika, de paleo-indianen, kampen hadden op 4.480 meter hoogte, ongeveer zo hoog als de Matterhorn, en veel hoger dan Machu Picchu. Dat is bijna 1.000 jaar vroeger dan tot nu werd gedacht.
De Paleo-indianen hadden hun kamp onder deze overhangende rotswand.

De lucht is er dun, overdag brandt de zon genadeloos en 's nachts is het er koud, maar toch leefden er 12.500 tot 12.000 jaar geleden al mensen hoog in de Andes. Na vijf jaar zoeken in het Andesgebergte hebben twee postdoctorale studenten het oudste tastbare bewijs gevonden dat mensen toen op bijna 4.500 meter boven de zeespiegel leefden. Dat is 1.000 jaar vroeger dan enige andere menselijke bewoning boven 4.000 meter die tot nu bekend was.

De kammen en dalen van de Andes in Zuid-Amerika, de Himalaya in Azië en het Ethiopisch plateau in Afrika waren bij de laatste plaatsen die door mensen gekoloniseerd werden. Op een hoogte van meer dan 2.500 meter lopen mensen het risico te sterven aan hypoxie, een gebrek aan zuurstof, en worden ze blootgesteld aan extreme temperaturen, een erg brandende zon en andere gevaren.

Op 4.000 meter boven de zeespiegel in de Andes leefden de paleo-indianen - de eerste mensen die via de Beringstraat Amerika binnengetrokken zijn vanuit Azië - een eind boven de boomgrens, wat het moeilijk maakte om hout te vinden voor een kampvuur of planten om te eten. Daardoor dachten onderzoekers dat die moeilijkheden het mensen onmogelijk maakten om op dergelijke hoogten te leven, zelfs tijdelijk, tot 10.000 of 11.000 jaar geleden.

Speerpunten

Sterk bewijs dat mensen al vroeger op zijn minst tijdelijk in de hooglanden van de Andes verbleven om er te jagen, werd in 2009 gevonden in de vorm van "fishtail"-punten, karakteristieke pijlpunten met een gegroefde schacht in de vorm van een vis.

Toen de archeoloog Kurt Rademaker en de geoloog Gordon Bromley na een lange zoektocht dergelijke pijlpunten vonden op 4.355 meter hoogte, wisten ze dat ze stevig bewijs hadden voor de stelling dat de paleo-indianen in staat waren om op zeer grote hoogte te leven niet lang na hun aankomst in Zuid-Amerika. Ze wisten dat omdat de gegroefde fishtail-punten altijd ouder zijn dan 11.500 jaar, en dus het werk zijn van de oudste paleo-indianen.

In de loop van verschillende jaren vonden Rademaker en zijn collega's honderden stenen werktuigen en pijlpunten op drie archeologische sites in het Pucuncho-bekken in de Andes in Peru, zo hebben ze deze week bekendgemaakt in Science.

Op een van de sites, een overhangende rots in Cuncaicha, ontdekten ze rotsschilderingen en roet op het "plafond" van kampvuren, zodat ze aannemen dat het om een basiskamp ging.

Op de drie sites vonden ze ook restanten van zetmeelrijke planten, die meegebracht waren van lagere hoogten, en de beenderen van herten, vicuña's en guanaco's, naaste verwanten van alpaca's en lama's.

Op een plaats zo'n 7 kilometer ten westen van de andere in het Pucuncho-bekken, vonden ze 260 stenen werktuigen, waaronder pijlpunten en schrapers die gemaakt waren van plaatselijk obsidiaan en andesiet. 

AP2013

Solide data

Rademaker stuurde stalen van de beenderen naar drie verschillende laboratoria om ze te laten dateren met de radiokoolstofmethode.

De dateringen van alle drie de laboratoria plaatsen de menselijke aanwezigheid in het "basiskamp" op 12.400 tot 12.000 jaar geleden, en in de openluchtwerkplaats voor stenen werktuigen op 12.800 tot 11.500 jaar geleden.

Dat is slechts 2.000 jaar na de oudste, algemeen aanvaarde archeologische site van mensen in Zuid-Amerika, in Monte Verde in Chili.

"De data lijken me zeer solide", zei archeoloog Michael Waters van de Texas A&M University, die niet aan de studie heeft deelgenomen.

Jacht

"Ik weet niet waarom de mensen daar voor het eerst naar toe getrokken zijn", zei Rademaker, "maar eens ze er waren, waren er veel redenen om er te blijven."

Mensen konden er op herten, vicuña's en guanaco's jagen, er waren overhangende rotswanden om te schuilen en obsidiaan om werktuigen van te maken. En hoewel de planten er niet eetbaar zijn, bevatten sommige planten wel veel hars, zodat ze voor een aangenaam warm vuur konden zorgen.

Een analyse van het obsidiaan uit de werktuigen toonde aan dat het Pucuncho-bekken de bron was voor de obsidiaan werktuigen die gevonden zijn in de Quebrada Jaguay-nederzetting. Dat was een kampplaats van de paleo-indianen op de kust van Peru die al gebruikt werd 13.000 jaar geleden.

Dat laat veronderstellen dat de mensen die de werktuigen gemaakt hebben, heen en weer trokken tussen de kust en de bergen, waar ze jaagden mogelijk na het regenseizoen in de lente, als de kalfjes geboren worden. "Deze mensen waren tot meer in staat dan we gedacht hebben", zei Rademaker.

Rademaker betwijfelt wel dat mensen het hele jaar door op de grote hoogten geleefd hebben, ook gelet op het regenseizoen van december tot maart.