"Ook na hervorming zal maar 1 op de 10 Belgen tot 67 jaar werken"

Het verhogen van de pensioenleeftijd naar 67 jaar tegen 2030 is noodzakelijk, benadrukt minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR). Maar dat wil volgens hem niet zeggen dat iedereen effectief tot die leeftijd zal moeten werken. "Net zoals vandaag zal na de hervorming slechts tien procent blijven werken tot die 67 jaar", zegt Bacquelaine in Gazet van Antwerpen.

Dat de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd zou worden, daar werd in geen enkel verkiezingsprogramma voor gepleit. "De geesten zijn geëvolueerd tijdens de onderhandelingen, door de cijfers die ik aanhaalde", zegt de minister van Pensioenen.

Drie cijfers waren daarbij belangrijk: de gemiddelde Europese pensioenleeftijd, de werkzaamheidsgraad bij 55-plussers en de totale uitgaven aan pensioenen. Zo gaat men in Europa gemiddeld op 63-jarige leeftijd met pensioen, in België is dat nu op 59-jarige leeftijd. Daarnaast bedraagt de werkzaamheidsgraad bij 55-plussers in ons land 41 procent, "het allerlaagste cijfer in Europa". Wat ten slotte de uitgaven betreft, wijst de minister erop dat we in 2006 25 miljard euro uitgaven aan pensioenen en dat de totale som in 2013 al 36,5 miljard euro was. "Elk jaar geven we 1,5 miljard euro meer uit."

Maar, benadrukt de minister in de krant, niet iedereen zal effectief tot 67 jaar moeten werken. "Nu werkt tien procent van de Belgen tot 65 jaar. Ook na de hervorming zal maar tien procent blijven werken tot 67 jaar."

Nieuwe definitie voor "zwaar beroep"

Vervroegd pensioen blijft namelijk ook na de hervorming mogelijk, weliswaar vanaf 63 jaar in 2018. "Mensen met een zware job of een lange loopbaan mogen eerder met pensioen. Dat geldt ook voor wie om diverse redenen niet meer kan werken."

De minister wil wel een aanpassing van de huidige term "zwaar beroep". Niet alles is volgens hem namelijk een zwaar beroep. "Maar er zijn er wel. Ik denk aan fysiek zware beroepen zoals dakwerker, aan nachtarbeid, aan beroepen waarbij men permanent beschikbaar moet zijn. En aan het onderwijs, in het bijzonder in scholen die positief discrimineren."

Ambtenaren

Wat de ambtenaren betreft, zij zullen hun studiejaren dus niet meer kunnen meetellen bij de bepaling van de pensioenleeftijd, daar blijft de minister bij. Een ambtenaar die vier jaar gestudeerd heeft, krijgt nu meteen bij de start een anciënniteit van vier jaar. Vanaf 1 januari wordt dat systeem geleidelijk afgebouwd naar zes maanden per kalenderjaar. Voor het berekenen van het pensioenbedrag, zullen de studiejaren wel worden meegeteld en dat is dan wel weer nieuw.