Hoe onze democratie democratischer maken? - Mark Eyskens

De grote syndicale protestmanifestatie van 6 november in de straten van Brussel roept vragen op in verband met de communicatie tussen de regering, het beleid, het parlement enerzijds en grote belangengroepen in de samenleving zoals het middenveld anderzijds. Wat nu gebeurt herinnert mij aan de wekenlange stakingen, ook met geweldpleging, tegen de beruchte of befaamde eenheidswet van Gaston Eyskens in 1960-61.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

De regering hield stand toen, het betwiste wetsontwerp werd in het parlement goedgekeurd en de staking bloedde dood. De democratische en parlementaire instellingen hadden dus gezegevierd. Het is inderdaad een belangrijk principe dat in een democratie, die steunt op een door de kiezers gekozen volksvertegenwoordiging, de meerderheid in het parlement, die dan ook de regering steunt, het laatste woord zou hebben.

Toch is dit standpunt enigszins formalistisch en niet zonder gevaar voor de sociale cohesie in de samenleving. We leven thans immers in een pluralistische samenleving. Een puur electorale democratie, waarbij de kiezers om de vier of om de vijf jaar worden opgetrommeld om hun stem uit te brengen, volstaat niet om in onze maatschappij een voldoende samenlevingsgevoel te genereren. De democratie moet ook participerend zijn en de burger de indruk geven en de overtuiging, dat ook hij er bijhoort.

Het volk wordt steeds meer vervangen door een bevolking waarvan een deel zich bevindt in een proces van integratie en gemakkelijk slachtoffer wordt of zich slachtoffer voelt van allerlei vormen van discriminatie. Sinds de val van de Berlijnse muur, net 25 jaar geleden, de implosie van het communisme en de explosie van de Sovjet-Unie kregen veel landen een democratisch electoraal systeem. Maar de ervaring wijst erop dat ze niet meteen worden omgetoverd tot een democratische samenleving. Dit vereist vrije meningsuiting en de vrijheid van vereniging, een onafhankelijk gerecht, toegang ook van de oppositie tot de officiële media, strijd tegen discriminaties en ongelijkheden.

Zelfs in onze eigen westerse democratieën dient hieraan bijna dagelijks de nodige zorg besteed. Het feit dat uit statistieken blijkt dat in veel landen een paar procent van de bevolking tot 40 à 50 % van de vermogens bezit is erg storend, ook voor het rechtvaardigheidsgevoel. De malaise wordt nog aangescherpt als blijkt dat zeer grote fortuinen en ook hoge bedrijfswinsten ontsnappen aan belastbaarheid omdat de betrokkenen erin slagen zeer gesofistikeerde fiscale ontwijkings mogelijkheden op te zetten. Belangrijk voor een democratie is ook sociaal overleg teneinde de voordelen van een markteconomie te corrigeren en te waken over een rechtvaardige spreiding van de welvaart. De nood hieraan lijkt momenteel ook in België intens te zijn geworden.

Een sociaal pact

Overleg tussen de regering en de grote belangengroepen is wenselijk en zelfs noodzakelijk in een voldragen democratie, die veel verder reikt dan een sporadische stembusgang. Wellicht had men de huidige spanningen tussen het kabinet Michel en de syndicale beweging kunnen vermijden, indien het formatieberaad anders was verlopen. Bij de vorming van de zogenaamde Zweedse coalitie had men veel sneller kunnen te werk gaan en een poging ondernemen om na de verkiezingen van 25 mei reeds voor 21 juli, onze Nationale feestdag, een nieuwe regering te laten aantreden. Zulk een snelle regeringsvorming zou schril hebben afgestoken tegen de 541 dagen van onderhandelingen, met vallen en opstaan, waaruit uiteindelijk in 2011 de regering die Di Rupo is ontstaan.

Na de recente verkiezingen besloten de Franstalige socialisten en christendemocraten heel snel en onverwacht coalities te vormen in de deelregeringen van Wallonië en Brussel. Eens de keuze gemaakt moesten de overblijvende partijen, namelijk MR, NVA, CD&V en VLD, haast onvermijdelijk overgaan tot het smeden van een regeringsalliantie op federaal vlak. De zogenaamde Zweedse partijen werkten tot in de maand oktober een uitgebreid en gedetailleerd sociaaleconomisch herstel -programma uit. Naar mijn gevoel was dit tactisch niet zeer handig. Ingrijpen in de sociale zekerheid, die wordt beheerd door de sociale partners en ook in grote mate wordt gefinancierd met werkgevers- en werknemersbijdragen, dient best in een eerste fase grondig overlegd en besproken met diezelfde sociale partners.

Het nodige herstelprogramma zou ik in de regeringsverklaring beperkt hebben tot de essentiële doelstellingen op sociaaleconomisch gebied en begrotingsvlak, ook rekening houdend met de Europese verplichtingen. De grote objectieven konden wel degelijk op een geloofwaardige, becijferde wijze aan het parlement worden voorgelegd, zonder evenwel in details te treden wat betreft het verwezenlijken ervan. De discussie over de te nemen concrete maatregelen had de nieuwe regering, zodra ze het vertrouwen had gekregen van het parlement, meteen moeten doorverwijzen naar de sociale dialoog met de sociale partners. Daarbij had men in het regeerprogramma uitdrukkelijk kunnen verwijzen naar de wenselijkheid om te komen tot een alomvattend sociaal pakt.

Vandaag hebben de sociale partners wel degelijk de indruk dat zij voor voldongen feiten zijn geplaatst en dat de onderhandelingsmarge, die overblijft, erg beperkt is en veeleer een doekje is voor het bloeden. De nieuwe regering had dan de tijd kunnen uittrekken voor een alles omvattende sociale onderhandeling tijdens de grote vakantie, zo nodig tot een eind september of oktober van dit jaar. Evenwel met de waarschuwing dat duidelijke besluiten en dus akkoorden noodzakelijk waren, al was het maar om te beantwoorden aan de Europese vingerwijzingen.

Een sociaal pakt zou ook in het buitenland een zeer goede indruk hebben gemaakt en investeerders hebben gerustgesteld, terwijl vandaag het baldadig straatgeweld na de manifestatie van 6 november in alle media van de wereld werd vertoond. Het geeft de indruk dat België op stelten staat.

Een stok achter de deur: bijzondere machten

Het spreekt vanzelf dat de regering, in de hypothese van een sociaaleconomische dialoog onmiddellijk na haar aantreden, moest vermijden te worden meegesleept in oeverloze debatten zonder besluitvorming. Met het oog hierop had de regering kunnen aankondigen dat, indien bijvoorbeeld tegen eind oktober van dit jaar geen sociaaleconomische akkoorden zouden zijn afgesloten tussen de sociale partners, zij haar verantwoordelijkheid zelf zou hebben opgenomen.

En ten einde het beleid meer efficiënte maken had de regering kunnen laten doorschemeren dat ze zelfs bereid was van het parlement bijzondere machten te vragen. Deze methode werd ten tijde van de regering Martens V met groot succes toegepast na de devaluatie van de Belgische frank. Indien zou gebleken zijn in de maand oktober 2014 dat de sociale partners toch niet instaat waren om een sociaal pakt af te sluiten, had de regering Michel de maatregelen, die zij zelf achteraf zou genomen hebben, kunnen legitimeren dankzij het onvermogen van de sociale partners.

Men kan vandaag enkel hopen dat de sereniteit terugkeert en dat toch nog belangrijke sociale akkoorden tussen de regering en het middenveld kunnen worden afgesloten. Het is evident dat aanhoudende sociale onrust in het land onze economie veel meer kwaad zou doen dan wat de voordelen zouden geweest zijn van een efficiënt herstelbeleid.

Crisis van de representatieve democratie

Jean-Luc Dehaene placht, in zijn typische, enigszins lapidaire stijl, te verkondigen dat een democratie dient om de problemen op te lossen. Deze uitspraak is niet onjuist. De geschiedenis van de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw in Europa bewijst dat wanneer democratische regimes, bijvoorbeeld de Weimar republiek in het verslagen Duitsland, er maar niet in slagen om een geloofwaardig beleid te voeren en te scoren onder meer wat betreft de strijd tegen de werkloosheid, de democratie zelfmoord pleegt. Allerlei extremistische krachten, opgehitst door demagogen, nemen dan het voortouw en slagen er in de meerderheid te veroveren in het parlement of het parlement buiten spel te zetten. Het is niet onnuttig de jeugd eraan te herinneren dat Führer Adolf Hitler via democratische verkiezingen aan de macht is gekomen in 1933.

De toestand vandaag, meer dan 80 jaar later, is evenwel grondig veranderd. Die veranderingen zijn in grote mate het gevolg van de om zich heen grijpende wetenschappelijke en technologische veranderingen, die de maatschappij fundamenteel doen muteren. Het zich verspreiden van de computer en de daarvan massaal afgeleide toepassingen verwekken enorme aardverschuivingen in het maatschappelijk bestel. Verticale hiërarchische structuren, gebaseerd op macht en gezag worden steeds meer vervangen door contactuele en contractuele relaties van meer horizontale aard in het raam van de netwerken en de internettisering. De media zorgen voor een zondvloed van informatie, wat leidt tot overinformatie en zelfs tot desinformatie.

Aldus opereren de politieke partijen in een zeer mistig en wisselend klimaat, wat het moeilijk maakt standpunten zichtbaar te maken en duidelijk te formuleren. De politieke markt is bovendien enorm volatiel geworden en de kiezer gedraagt zich op deze markt zoals hij te werk gaat in een supermarkt en er zich laat overtuigen door de meest aantrekkelijk voorgestelde producten. Dat zijn meestal ook de goedkoopste. Op de politieke markt betekent dit ‘minder belastingen’. Vroeger stemde men vaak in gezinnen voor dezelfde politieke partij van vader op zoon. Vandaag zijn de verticale zuilen omgevallen. Nieuwe politieke partijen, opgebouwd rond een of ander gevoelig liggend thema, groeien, bloeien, meestal kortstondig, en verwelken weer. De burger loopt ook wat verloren in de hedendaagse Toren van Babel, die bestaat uit talrijke verdiepingen: het eigen dorp of gemeente, de streek, het gewest, de gemeenschap, het vaderland, Europa, de wijde wereld. De kiezer is ankerloos en wordt dakloos.

Vermenning

We leven in de zogenaamde kennismaatschappij maar in feite blijkt dat de kennismaatschappij ook heel veel onwetendheid afscheidt, als een soort koud zweet. De burger wordt immers dagelijks overspoeld met berichten maar nog meer met geruchten en halve waarheden of nieuws dat moet gedecodeerd worden. In zijn eigen vak moet hij zich geregeld bijscholen en meestal verscheidene talen kunnen spreken. De kennis, wat wij kennen, stijgt wel degelijk van generatie tot generatie en beschrijft een rekenkundige reeks en verloopt lineair, als men dat algebraïsch wil voorstellen. Maar het kenbare, wat wij zouden moeten of kunnen kennen, stijgt veel sneller en volgt een exponentiële groei. Tussen beide curven neemt de afstand toe. Dit noemt men de ‘kenniskloof’, die wijst op een afname van de relatieve kennis: we weten minder van steeds meer.
In het ‘voor-computertijdvak’ (BC betekent ‘before computer’ en niet langer before Christ) begrepen de kiezers ook niet veel van het politieke reilen en zeilen maar zij hadden vertrouwen in een aantal politici naar wie zij opkeken. Vandaag, dankzij de mediatieke inflatie, meent de kiezers niet zelden dat hij het beter weet en is hij bijzonder achterdochtig want hij vreest dat de politici hem iets wijs maken. Er is een algemeen wantrouwen in de politiek. Het beleid zelf, omwille van zijn ingewikkeldheid en in een complex land als België omwille van zijn quasi onontwarbaarheid, ziet er haast uit als een abstract schilderij. Het beleid oogt non-figuratief, spreekt niet aan, heeft geen betekenis en geeft ook geen antwoord op de gestelde vragen. Men bestuurt, men regeert, men beslist.

De maatschappij is overgeleverd aan ‘Men’, het meest onpersoonlijke voornaamwoord aller voornaamwoorden. Ooit noemde ik dit verschijnsel – een echte aliënatie in de marxistische betekenis van het woord – de ‘vermenning’, een fenomeen dat de burger vervreemdt van de politiek. De politiek – in tegenstelling tot de politici - heeft geen gezicht en geen gelaat ook al tonen de politici hun eigen gezicht zo vaak mogelijk op de televisie en in de media.

De enige manier om de aandacht te trekken noopt de politicus er wel eens toe beroep te doen op straffe uitspraken, grove simplisme of aanvallen op zogenaamde tegenstrevers, op vreemdelingen of mensen die behoren tot een andere gemeenschap, ook in eigen land. Gelukkig zijn er soms reacties, waaruit blijkt dat de ernstige, zakelijke, wat droge, flegmatische grijze muis-politicus meer succes oogst dan de brallende tafelspringer.

De kiezer – keizer

Sociologen leggen uit dat de volmondige burger de belangrijkste politicus is geworden en dat de kiezer de keizer is, waarvoor de politici hun hoed afdoen. Maar dit is niet de ervaring van de kiezers zelf. Integendeel, die voelen zich erg machteloos, als een klein radje opgenomen in een gigantisch raderwerk, dat boven hun hoofden dol draait.

Veel hangt natuurlijk af van het kiesstelsel. In een meerderheidskiesstelsel blijven er maar twee grote politieke partijen over, die elkaar aan het bewind aflossen. De partij aan de macht deelt de lakens uit, wat kan leiden tot despotisme van de meerderheid. Maar die situatie heeft wel het voordeel dat de partij die de verkiezingen wint, dus ook ongeveer voor 100 % haar programma kan uitvoeren. Tenminste als dit voldoende realistisch is. In landen met een proportioneel kiesstelsel zoals in België, liggen de kaarten heel anders verdeeld. Geen enkele partij, tenzij zeer uitzonderlijk de CVP-PSC ten tijde van de koningskwestie (1950), behaalt de meerderheid en is daardoor verplicht in een regeringscoalitie te treden. Het minimum minimorum in België is een federale regering met vier partijen. Dit betekent, vermits elke partij ook voor een stuk gelijk moet krijgen in een coalitie, dat je van je eigen partijprogram ongeveer één vierde kunt realiseren. En dit maakt juist de politiek zo ongeloofwaardig tegenover de kiezers, want die hebben de indruk dat de politici, waarvoor zij gekozen hebben, onmiddellijk hun kiesbeloften opeten en hun kiezers verraden door in een coalitieregering te stappen.

Toch zijn in ons systeem compromissen absoluut noodzakelijk en in zekere zin ook positief, want ze dwingen tot samenwerking en wederzijds begrip. Alleen kan het zoeken naar compromissen ook het land in de onregeerbaarheid storten of opzadelen met regeringen die zeer ondoelmatig en zelfs contraproductief optreden.

Punt-stemmen

Al lang verdedig ik een voorstel dat neerkomt op puntstemmen, waarbij ik een meervoud van stemmen aan elke kiezer zou toekennen, bijvoorbeeld 10 stemmen per kiezer. Die stemmen zou hij dan kunnen spreiden over verschillende partijen en verschillende kandidaten. Nu is de kiezer veroordeeld tot een soms verscheurende keuze tussen een half dozijn politieke partijen en honderden programmapunten en voorstellen. Vaak heeft hij ook nog een tweede keuze in petto, en dus enige sympathie voor een andere politieke partij, die het ook nog zo slecht niet doet. Zijn vertrouwen kan ook uitgaan naar een kandidaat op de lijst van een andere partij dan diegene waarvoor hij stemt.

Puntstemmen laat een spreiding van de stemmen toe, die beter beantwoordt aan de kiesvoorkeuren van de kiezers in het stemhokje. Meteen zijn het de kiezers die reeds een compromis smeden tussen de partijen door hun kiesgedrag. Terwijl in onze huidige situatie, na de verkiezingen, het de politieke partijen zijn die compromissen moeten afsluiten en daardoor een deel van hun geloofwaardigheid kwijtspelen.

Er zijn natuurlijk nog andere methoden om de kloof tussen de burger en de politiek te dichten. Sommigen denken aan referenda – vandaag de dag bijvoorbeeld digitale georganiseerd - waarbij de burger over concrete kwesties rechtstreeks een beslissend oordeel kan vellen. De moeilijkheid echter is onder meer het selecteren van de problemen die referendair moeten worden beslist, het stellen van de juiste vraag en het vermijden van incoherent kiesgedrag. Dit zou plaatsvinden indien een meerderheid van de kiezers zich zou uitspreken voor een verlaging van de belastingen en een verhoging van de sociale uitkeringen.

Enkel in de representatieve democratie kunnen dit soort knopen worden ontward. Het onderwijs vervult ook een belangrijke taak naar de jeugd toe. Jonge mensen reageren vaak nogal heftig, wat begrijpelijk is. Zij bezitten de gave van de verontwaardiging. Hen moet evenwel worden geleerd dat enkel in de verdediging van de solidariteit extremisme geen ondeugd is en dat enkel in het behartigen van de rechtvaardigheid gematigdheid geen deugd is.

Een democratie heeft nood aan essentiële beschavingswaarden en ook de media hebben op dat stuk een grote verantwoordelijkheid. Politiek educatieve programma’s op radio en televisie zijn er steeds te weinig en naarmate de zenders steeds meer worden gecommercialiseerd, omdat de overheid moet besparen, is de kans groot dat het democratisch deficit niet verkleint. Pessimisme en wanhoop zijn echter slechte raadgevers.

(Mark Eyskens is Minister van Staat en emeritus hoogleraar.)

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.