"Belgische dwangarbeid tijdens WOI zwaar onderschat"

Het aantal Belgen dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd "opgeëist" om te werken voor de Duitse bezetter is zwaar onderschat, net als het aantal Belgische dwangarbeiders dat uiteindelijk overleed ten gevolge van die dwangarbeid. Tot die conclusie komt amateur-historicus Donald Buyze, een West-Vlaming die ook lezingen geeft over het onderwerp. En hoe werkte het systeem van die met een eufemisme genoemde 'Zivilarbeiter', de 'Slaven de Groote Oorlog', precies?

Het is een problematiek die tot nu toe schromelijk onderbelicht is gebleven, vertelt Donald Buyze: die van de Belgen die onder dwang voor de Duitsers moesten gaan werken om de oorlogsmachine draaiende te houden: "Veel groter dan ooit gedacht."

Donald Buyze voert al 9 jaar intensief onderzoek in het specifieke domein van de Belgische dwangarbeiders van WO1, bijna hoofdzakelijk in zijn vrije tijd. "We noemen hem onze supervrijwilliger", zegt Piet Chielens, conservator van het In Flanders Fieldsmuseum (IFF). "Het is een gigantische klus, je moet een enorme toewijding hebben."

Buyze hoopt over 2 jaar zijn werk af te hebben, en geniet daarbij nu ook de financiële steun van het In Flanders Fieldsmuseum (IFF). De namen van slachtoffers die overleden als gevolg van de dwangarbeid en die hij ontdekte na jarenlang doorgedreven zoekwerk, zullen gedeeld worden met de befaamde Namenlijst van het IFF.

Al dwangarbeid voor de "Verordnung"

Het fenomeen van dwangarbeid tijdens WOI is complex en niet zo eenvoudig uit te leggen. Er is één markant punt, de algemene Verordnung of oproeping van oktober 1916, maar ook daarvoor moesten burgers op vele plaatsen al gedwongen arbeid verrichten voor de Duitsers.

Het gaat dan bijvoorbeeld om burgers die vlakbij de frontlijn woonden in West-Vlaanderen, en werden verplicht allerlei klusjes of taken op te knappen. Zij hielden nog min of meer goed stand, vertelt Buyze, omdat ze ter plaatse woonden en dus naar huis konden terugkeren. Dwangarbeiders die werden gedeporteerd, verging het minder goed. Zij werden vaak geconfronteerd met veel slechtere omstandigheden.

"Ik was bezig met een zwaar onderschat fenomeen"

Naar schatting zijn er 160.000 tot 180.000 Belgen opgeroepen om onder dwang te gaan werken voor de Duitsers, concludeert Buyze op basis van zijn grootschalig onderzoek. Dat is een pak meer dan de 120.000 waarvan tot nu toe meestal sprake was. Volgens officiële cijfers van de Belgische overheid zijn daarbij uiteindelijk 2.600 Belgen omgekomen, al werd er toen al aan toegevoegd "we gaan het wellicht nooit precies weten".

Jarenlang bleven de cijfers liggen. Ze werden overgenomen en geïnterpreteerd, maar niemand deed er blijkbaar echt grondig, vernieuwend onderzoek naar. Nu, bijna een volle eeuw later, komt Buyze tot de conclusie dat het aantal slachtoffers wellicht een veelvoud is. Baanbrekend werk, bevestigt ook historicus Piet Chielens.

Buyze heeft nu al bijna 7.000 namen verzameld, en heeft nog twee jaar werk om de lijst te voltooien. "Tijdens mijn zoektocht merkte ik al gauw dat ik met een zwaar onderschat fenomeen bezig was."

Op hoeveel namen precies hij zal uitkomen, is eigenlijk niet eens zo belangrijk. De moraal van het verhaal is dat het fenomeen veel groter is dan gedacht. "Het zou veel meer aandacht moeten krijgen. Als we praten over de Eerste Wereldoorlog, kent iedereen het verhaal van gesneuvelde militairen of burgers die werden geëxecuteerd. Maar veel minder mensen weten dat er zoveel dwangarbeiders zijn opgeroepen, en ook dat er zoveel 'opgeëisten' zijn omgekomen." (foto onder: op Franse begraafplaatsen werden namen van Vlaamse slachtoffers vaak verkeerd gespeld, wat Buyzes zoektocht soms bemoeilijkte).

Waar je woonde, bepaalde naar waar je gedeporteerd werd

Het systeem werd door de Duitsers ingesteld op basis van zones, zegt Buyze. Het grootste deel van België, in het noorden en het oosten, behoorde tot het Generaal-Gouvernement. Burgers die vandaar werden gedeporteerd, uit Limburg of Brabant bijvoorbeeld, belandden voornamelijk in Duitsland.

Dan zijn er de zogenoemde etappegebieden, een groot stuk van West-Vlaanderen en bijna heel Oost-Vlaanderen en verschillende gebieden tegen de Franse grens aan, onder meer rond Doornik, Bergen en Aarlen. Opgeëiste burgers in die gebieden belandden voornamelijk in Noord-Frankrijk, in de 'Zivilarbeiter Bataillone' (ZAB) belanden. Tot slot waren er dan ook de Operatiegebieden vlak aan het front in West-Vlaanderen. (foto onder: aan de kerk van Anzegem is de lijst van gesneuvelde Zivilarbeiter zelfs langer dan die van andere slachtoffers).

Spoorwegen, mijnen of fabrieken

Veel Belgen belandden in Duitsland in de oorlogsindustrie, of in de landbouw. Anderen moesten gaan werken in zoutmijnen of heidegronden ontginnen. Elke Belg die de plaats kon innemen van een Duitser in de fabriek, was immers een Duitse soldaat meer aan het front. Anderen werden dwangarbeider aan het spoor. Zo is er het veel verhaal van enkele mannen uit Wetteren die in Hirson, in Noord-Frankrijk een verkorting moesten maken op de spoorlijn, om de Duitsers efficiënter oorlogsmunitie te laten aanvoeren. Anderen moesten helpen bij het laden en lossen van treinen.

Sommige Belgen hielpen de Duitse genietroepen, de zogenoemde pionierstroepen, rechtstreeks bij de Stellungen, de verdedigingslijnen, bijvoorbeeld met het bouwen van bunkers. De omstandigheden waarin zij werkten, verschilden van regio tot regio, maar het feit dat er verschillende duizenden omkwamen, is op zich veelzeggend. Sommigen waren zo uitgeput, dat ze stierven op de terugweg.

Noord-Frankrijk was niet de beste bestemming. Het leven in de ZAB's was keihard en de dwangarbeiders hadden een hard leven, en leden vaak honger. Vanuit België bekeken, was onder meer Hamme zwaar getroffen. "Je kan het een echt martelarendorp noemen met betrekking tot slachtoffers van de dwangarbeid," zegt Buyze. Op basis van verschillende bronnen schat hij het aantal gesneuvelde dwangarbeiders uit Hamme op een kleine 120. 

"Hij zit op een schat van gegevens"

Het verhaal van de dwangarbeiders brengt nieuwe inzichten, bijna 100 jaar na datum. "Donald Buyze zit op een schat van gegevens. Zowel qua aantallen, als qua omstandigheden", zegt Piet Chielens. "Je moet weten dat voor die mensen het sociale opvangnet toen vaak bedroevend was."

Die gegevens, dat is ook met dank aan kardinaal Mercier, die zich hevig verzette tegen de Duitse deportaties, en de pastoors vroeg om na de oorlog gegevens te verzamelen van hun burgers die waren weggevoerd, en hun verhalen op te tekenen.

Buyze onderzocht al het grootste deel van België, en wil de zaken nog verder uitspitten in Duitsland. Veel Belgen werden gedeporteerd naar Munster, Soltau of de Luneburgerheide. Dat gebeurde met de Verordnung van oktober 1916: de Duitse bezetter had zijn oog laten vallen op de vele door de oorlog werkloos geworden Belgen - er is sprake van zo'n 500.000 op 7 miljoen - die bij de Duitse bevelhebbers voor lui doorgingen en dringend aan het werk moesten worden gezet. Van hen werden lijsten opgemaakt, en zij werden dan massaal opgeëist in oktober 1916. Ze werden samengeroepen op bepaalde plaatsen, en massaal op de trein gezet.

De deportaties vanuit België werden onthaald op internationaal protest en stopgezet in maart 1917, maar toen was voor velen het kwaad al geschied. (onder: oproep tot dwangarbeid zoals die in Kortrijk werd verspreid. Let op het afsluitende zinnetje onderaan).

lees ook