""Honger, honger, honger," zei hij me steeds"

Niet enkel tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook tijdens de Eerste werden duizenden mensen gedeporteerd om te gaan werken als dwangarbeiders. Onder hen ook Victor Perneel, een boerenknecht uit Geluveld die in Rijsel werkte. Hij overleefde, maar was getekend voor het leven. Zijn kleinzoon, Donald Buyze, raakte net door het verhaal van zijn grootvader geïntrigeerd door de materie en voert er al jaren intensief onderzoek naar.

We ontmoeten Donald Buyze in Wervik, in het historische café Macote tegenover het station (foto's) . Aan de muur hangen oude zwart-wit foto's, onder meer van toen het café werd bezet door de Duitsers.

Het verhaal van Victor Perneel is slechts een van de vele verhalen van gedeporteerden (eufemistisch 'evacués' genoemd in de Franstalige oproepingsbrief) tijdens de Groote Oorlog maar geeft een zeker idee van hoe het er toen aan toe ging.

In tegenstelling tot duizenden andere Belgische opgeëisten overleefde Victor zijn werkkamp. Hij kon het op die manier navertellen aan zijn familie en kleinzoon in het bijzonder. Tijdens zijn eerste 15 levensjaren werd Donald Buyze op die manier een bevoorrechte getuige, omdat hij het verhaal uitgebreid en herhaaldelijk te horen kreeg. Buyze ging later zelf uitgebreid verder graven in het verhaal van zijn grootvader en van de Zivilarbeiter in het algemeen, waardoor een indringend portret is ontstaan.

Uitgeweken naar Rijsel

Victor Perneel wordt geboren in Geluveld, West-Vlaanderen, in 1895. Als telg in een grote familie wordt hij boerenknecht. Wanneer in augustus 1914 de oorlog uitbreekt in België, is hij nog (net) te jong om te worden opgeroepen in het leger.

Op dat moment werkt hij Rijsel, net over de grens in Noord-Frankrijk, voor een verre neef die is uitgeweken. Zo belandt Victor achter het front, in door de Duitsers gecontroleerd gebied. "Oorspronkelijk kon Victor gewoon blijven doorwerken op het veld, al waren de omstandigheden er toen al penibel", schetst Donald Buyze.

In oktober 1916 verspreidt de Duitse bezetter een algemene Verordnung, die eigenlijk neerkomt om een algemene invoering van dwangarbeid. De Duitsers hadden hun oog al langer laten vallen op de honderdduizenden Belgen die door de oorlog werkloos waren geworden en vonden dat die 'arbeitsscheue' Belgen maar beter voor de Duitse industrie konden gaan werken om de oorlogsmachine draaiende te houden. (meer details daarover in de lees ook)

Dwangarbeid aan de ijzeren weg

Op 17 oktober 1916 gebeurt het dan. Victor krijgt de aanmaning om zich aan te bieden om voor de Duitsers te gaan werken. Hij wordt met een grote groep andere mannen op transport gezet naar het oosten, in de buurt van het stadje Guise.

Na zijn deportatie wordt Victor met enkele tientallen anderen opgesloten in een oud molengebouw dat deel uitmaakte van een cisterciënzerklooster, in Bohéries in het departement Aisne. Hij moet er werken aan de spoorweginfrastructuur achter de frontlijn. "Hij heeft twee jaar opgesloten gezeten in dat gebouw, 's nachts. Overdag moest hij dan gaan werken. Hij vertelde mij vaak dat ze het aantal sporen van 2 naar 35 moesten brengen."

Verplicht zich aan te bieden of anders zware straffen!

Dit zijn stukken van de algemene, letterlijke tekst in de Franse oproepingsbrief die Victor Perneel kreeg voor zijn deportatie vanuit Rijsel. " (...) moet zich dinsdag 17 oktober 1916 om 1 uur in de namiddag begeven naar de hoofdingang van Palais Rameau, Boulevard Vauban. Zij die deze order niet gehoorzamen, zullen door de militaire politie worden meegenomen, en kunnen ook een gevangenisstraf krijgen tot 3 jaar en en boete tot 10.000 mark, of een van beide sancties, tenminste als de bestaande wetgeving geen zwaardere straffen eisen."

Voor mensen die toen al vaak in armoede leefden, klinkt het bijna ironisch, maar er wordt aan toegevoegd: "Elke opgeroepene moet, in de mate van het mogelijke, het volgende meenemen: twee hemden, twee onderbroeken, twee paar kousen, een jas, een das, een paar handschoenen, een handdoek, twee dekens, een kom en eetgerei." 

Een volwassen man van 35 kilogram

Elke dag moest de werkkolonie, de 'compagnie' van dwangarbeiders, zo'n 5 kilometer wandelen naar het station van Guise om er te werken, vaak in de bijtende kou. "Honger, honger, honger, die woorden kwam altijd terug. Dat was de conclusie over wat hij daar had meegemaakt."

De honger zat heel diep. Op die eenzame weg naar Guise komen ze niks tegen, behalve één boerderij. Op een keer ziet Victor iets liggen wat lijkt op een donkere knol, en wat eetbaar lijkt. Hij raapt het snel op en steekt het in zijn mond, maar het blijken bevroren uitwerpselen te zijn.

"Victor vertelde altijd dat hij na de oorlog in 1918 eens gewogen werd op een goederenweegschaal, en dat hij nog 35 kilogram woog met een natte overjas aan. Een levend lijk in feite, want zijn normale gewicht was tegen de 70 kg. Van water en soep word je niet dik. Die verhalen kom je vaak tegen bij de Zivilarbeiter. Zij werden weldegelijk uitgehongerd."

Niet iedereen haalde het

Victor overleefde, maar dat was niet voor iedereen het geval. Verschillende duizenden Belgische Zivilarbeiter haalden het niet, verzwakt als ze waren door uitputting, honger of ziekte; anderen hadden dubbel pech en werden getroffen door bombardementen van de geallieerden, maar dan achter het front.

Tijdens de dwangarbeid aan de spoorweg is Victor een getuige van een dodelijk incident. Een van zijn mede-arbeiders is zo uitgeput dat hij niet meer kan, en zegt bij herhaling tegen de Duitse bewakers dat hij niet meer kan. Hij vindt geen gehoor, en krijgt integendeel een stevige por van een geweer. Wat later valt de man neer van uitputting. Hij verliest het bewustzijn en sterft door de kou.

Je kon tekenen voor de Duitsers, of niet

"Victor heeft twee jaar lang ook steeds gewerkt voor 30 pfennig. Dat was omdat hij weigerde een contract te tekenen voor de Duitsers. Wie dat wel deed, kreeg (meestal) 5 mark en een beter rantsoen. Of dat zoveel beter was, weet ik niet, want ik ken veel gevallen van Zivilarbeiter die tekenden maar toch stierven aan ondervoeding en dergelijke", vertelt Donald Buyze. 

Velen weigerden uit principe om het contract te tekenen, al konden zij, half onder dwang, eigenlijk sowieso bezwaarlijk  'collaborateurs' genoemd worden. "Er zijn ook veel mensen die getekend hebben na pesterijen of na straffen. Sommigen vroegen zich naderhand ook af wat voor zin het had om 'de principiële' uit te hangen. Het werd uiteindelijk ook een kwestie van overleven."

1.200 franken compensatie

Na de oorlog begon Victor een nieuw leven in Geluveld. Dat was in 1918 zo goed als volledig met de grond gelijkgemaakt. Zo gaat het verhaal van iemand die terugkeerde naar Geluveld vanuit Ieper, maar het voormalige dorp gewoon voorbijliep tussen het puin, omdat er gewoonweg niks meer overeind stond.

Victor procedeert voor een schadevergoeding voor wat hij heeft meegemaakt. "Mensen die de deportaties hadden meegemaakt kregen een eenmalige uitkering van 50 frank per maand. Voor Victor kwam dat neer op 1.200 frank. Hij kreeg die pas in 1923, want zijn aanvraag was in 1920  blijven liggen op het gemeentehuis van Geluveld, wat toen eigenlijk nog een barak was ten tijde van de prille heropbouw."

De geschiedenis herhaalt zich

Victor helpt ook mee bij de heropbouw van zijn dorp. Hij slaagt erin om zijn leven weer op de rails te krijgen, trouwt met zijn buurmeisje en krijgt drie kinderen. In 1933 kiest hij voor het weduwnaarschap na het overlijden van zijn vrouw, op amper 33-jarige leeftijd.

"Dan kwam de Tweede Wereldoorlog er nog aan, waarin hij zijn zoon heeft moeten verbergen voor de Duitsers. De geschiedenis herhaalde zich", vertelt Donald Buyze. "Hij wist natuurlijk heel goed waar de Duitsers voor stonden."

"Een mens is taai als een wisse"

Donald Buyze was 15 toen zijn grootvader overleed, en herinnert zich vooral ook de goede verhalen. "Hij heeft nog met mij in de notenboom gespeeld, ik heb hem nog zien zingen, dansen en kluchten vertellen. Het leerde me dat er nog altijd iets is na da chaos. Hij gebruikte vaak de uitdrukking "een mens is taai als een wisse"". (een wilgentak, die buigt maar niet breekt, red.) 

"Hij heeft dat aan den lijve ondervonden, en het maakt hem een heel sterke man. Hij is nog altijd een voorbeeld in mijn leven, en dat is ook de reden waarom ik dat verhaal wil voortvertellen. Je kan altijd weer uit die put kruipen, hoe diep je ook op de bodem van de hel bent beland."

Het begin van een veel groter verhaal

Het verhaal prikkelt de kleine Donald Buyze om meer te weten te komen en ter plaatse dingen te gaan uitzoeken. Hij reist later naar Bohéries om er de naam van zijn grootvader te vinden die in de muur van het molengebouw was gekrast, verdiept zich in de Franse archieven om de naam van zijn grootvader te vinden, en graaft steeds verder en breder. Hij probeert momenteel om een volledige inventaris op te maken van alle Belgen die als dwangarbeider overleden. 

Daarvoor reist hij heel België af, om alle oorlogsmonumenten te fotograferen. Hij neemt daarvoor naar schatting 150.000 foto's. Donald Buyze is nu al negen jaar aan de slag, en werkt intussen voor het In Flanders Fields-museum, waar hij een bijdrage zal leveren aan de befaamde Namenlijst.

Over twee jaar wil hij zijn werk af hebben, maar de conclusie is nu al duidelijk: het aantal gesneuvelde Belgische dwangarbeiders tijdens de Eerste Wereldoorlog ligt vele malen hoger dan het officiële aantal van 2.600. (foto onder: monument ter ere van de dwangarbeider in Lessines)

lees ook