Over kleine lettertjes en grote letterkunde - Walter Van Steenbrugge

Het twaalfdaagse boekenbal in Antwerpen sloot onlangs de deuren. Ruim honderdvijftigduizend bezoekers liepen vreedzaam de boekenpaleizen in en uit. De burgemeester moest niet dreigen met scherpe maatregelen. Er hoefden geen Friese ruiters, politie te paard, traangasgranaten, waterkanonnen of pepperspray te worden ingezet. Er vielen geen gewonden. Lezers zijn rustige lui.

Die houden van literatuur, zeker als die gesigneerd wordt. Staan ze uren voor in de rij. Geen gemopper, gezeur, geklaag. Halsreikend uitkijken naar een babbel van enkele seconden. Een gesigneerde binnenflap én een selfie, met de auteur welteverstaan als bekroning. En de media berichten erover. Wereldnieuws.

En die massaal blijken te houden van kookboeken. Reeds jarenlang. Chefs prijken onaflatend op de bestsellerlijsten. Iedereen kookt en koopt. Merkwaardig fenomeen. Koken zit blijkbaar in de genen. Iedereen wil kokkerellen. Met een boek in de aanslag. Als minister van onderwijs zou ik overwegen om bij een volgende onderwijshervorming, één uur kookles per dag op te leggen. Van 10 tot 18 jaar. Net nu iedereen hoe langer hoe meer beroep doet op fastfood, dagschotels, afhaalmaaltijden, pita’s, sushi’s en andere dürüms. Wie zijn toch de lui die nog kookboeken kopen om in de keuken aan de slag te gaan?

Geef mij eerder een Brouwers dan een kookboek. Gelukkig heet hij niet De Kok, maar Brouwers. Schrijver, die naam waardig. Met grote onderscheiding. Elke pagina staat bol van de kunstig in elkaar gepuzzelde volzinnen. Matrijzen bestaan er niet. Elke zin is enig. Een kunstwerk. Gemaakt met passie en vakmanschap. Hier en daar een woord waar je nog nooit van hoorde, gegoten in een sliert van vakkundig gekozen andere woorden en klanken. Lezen is werken. Lezen is genieten. Brouwers lezen is zich sprakeloos voelen.

Diezelfde Jeroen Brouwers was onlangs te gast bij Friedl’ Lesage, in haar onvolprezen zondagochtendprogramma Touché. Twee uur rustig praten, niet onderbroken maar afgewisseld met toepasselijke muziek. Een oase van rust en welbehagen voor de luisteraar. Brouwers, amechtig en geregeld giechelend van de binnenpretjes, liet er zich ontvallen dat hij liever niet praat. Want praten doe je snel, niet steeds doordacht, met onvolmaakte volzinnen en zelden zo treffend als de schrijver schrijven kan. Het geschreven woord primeert het gesproken woord. Zo hoort het voor een schrijver.

Zo is het eigenlijk ook in de rechtswereld.

Rechtsregels zijn geschreven. Van verdragen over (grond)wetten. Van besluiten tot reglementen. Slechts uitzonderlijk hoor je spreken van de gewoonte of het gebruik als bronnen van het recht. Ook contracten worden best neergepend. Vaak is het bewijs ervan afhankelijk van hun schriftelijke neerslag.

Advocaten worden vaak gezien als mooipraters. Toegegeven, een stevig, aangrijpend, overtuigend pleidooi kan een zaak naar het eindstation duwen. Maar het spoor werd gekozen in een schriftelijke conclusie.

Brouwers, sinds lang verwikkeld in een juridische strijd over de vraag of zijn woning in Zutendaal vergund is of niet, zal de schrifturen van de juristen ongetwijfeld lezen als bijsluiters bij een Aziatisch product. Een literatuurprijs zullen we dus, in tegenstelling tot de echte meester, nooit halen.

En toch is het woord ons enig wapen, naast de wet. Maar ook dat laatste wapen dreigt de druk niet langer te weerstaan van het buikgevoel van de publieke opinie.

De buik, het koken en het eten. Vlaamser kan wellicht niet.

lees ook