Tobback versus Torfs - Van Dievel Consulting

'Leuven is in se een kleine stad, vriend Louis. Niet alleen qua oppervlakte of aantal inwoners of mentaliteit. Leuven is gewoon te klein om meer dan één grote geest te herbergen. Let op mijn woorden, er gaat daar nog miserie van komen.'

Profetische woorden van de toen pas verkozen rector Rik Torfs. Ik was na het nieuws van zijn victorie bij de rectorverkiezingen aan de Katholieke Universiteit als de bliksem naar Leuven gereden om de hoogleraar Canoniek Recht te feliciteren met zijn oververdiende uitverkiezing tot primus inter pares. 'Ze gaan nog verschieten van mij, vriend Louis. Ik ben niet van plan om als rector de lolbroek uit te hangen.' Waarna hij onder luid gejuich van zijn vrienden en supporters een handstand demonstreerde (waardoor de aflaten waarmede hij zijn zakken vol had gepropt rinkelend over de vloer rolden) en vervolgens op de wijze van Tarzan aan de luchter van het departement Kerkelijk Recht ging hangen. Er bestaan foto's van, maar ze zijn bij VDC in veilige handen.

Zwaar onvoldoende

Waarom haal ik deze herinneringen op, zult u zich afvragen, en terecht. Het zit zo. Op dringend verzoek van Rik Torfs had ik twee maanden geleden zowel onze trainee Dinska Bronska als mijn junior partner en dobermann Brabançonne ingeschreven in wat het koninkrijk van Rik Torfs is en was: het kleine maar dappere departement Kerkelijk Recht. Het zag er namelijk naar uit dat er dit academiejaar geen enkele eerstejaarsstudent zou zijn in deze onderschatte studierichting. Een blamage voor de rector, amai nog niet. 'Kunt ge mij depanneren, vriend Louis?' had Torfs gevraagd, 'gij hebt toch twee acolieten die geen kwaad figuur zouden slaan als student? Maak u niet ongerust, ze moeten geen cursussen volgen. Eén keer in de maand goeiedag komen zeggen volstaat.' Intussen hebben er zich wel een Namibiër en een Aboriginal als student aangemeld, maar dat wisten we toen nog niet. Afijn, ik schrijf mijn twee medewerkers (overigens buiten hun weten om) in als student, wat fiscaal overigens zeer interessant is. Maar toen viel er een brief van de Katholieke Universiteit in de bus waarin dezelfde rector Torfs Dinska en Brabançonne van de universiteit dreigt te gooien omdat zij zwaar onvoldoende scoren op allerlei tussentijdse toetsen, proeven en examens.

Ik probeerde Rik te bereiken om hem aan onze onderhandse afspraak te herinneren, maar sinds hij rector is neemt hij niet meer zelf de telefoon op. 'De rector is op jacht,' zei een lieftallige dame die zich aan de telefoon voorstelde als de persoonlijke medewerker van de rector, 'ik kan u een afspraak geven in april van 2016. Schikt u dat?' 'Op jacht?' stamelde ik redelijk verbijsterd. 'Jazeker,' antwoordde de dame op vrolijke toon, 'kom gerust eens kijken, het is de moeite.'

Op jacht

Ik besloot andermaal naar Leuven te reizen. In de Naamse Straat had ik al meteen prijs. Ik werd op de stoep bijna ondersteboven gelopen door in paniek weg vluchtende studenten. 'Staan blijven, verdorie!' hoorde ik een mij bekende stem roepen. Haastig zocht ik een schuilplaats in een portiek. Maar net op tijd, overigens. Want geen seconde later werd ik voorbijgesneld door Rik Torfs die a) poogde zich in evenwicht te houden op het schild dat door zijn talrijke vice-rectoren werd gedragen, welke zo hard liepen als hun niet meer zo jonge benen het toelieten en b) met een groot uitgevallen vlindernet probeerde om de vluchtende studenten tot staan te brengen en vervolgens te vatten. Ik besloot vanop veilige afstand de rectorale posse te volgen. In de Vlamingenstraat stond een tevreden rector zijn buit te tellen: twaalf studenten stonden er met hangend hoofd te wachten op hun uitdrijving. 'Rik!' riep ik, 'wat hebben deze jongelieden misdaan?' 'Ha, dag vriend Louis,' sprak Rik Torfs vanop zijn schild, 'deze onverlaten zijn een schande voor onze universiteit. Ze verkopen hun eigen cursusnotities aan hun medestudenten waardoor onze hoogleraren hun eigen cursussen niet meer aan de straatstenen kwijt raken.' 'Maar Rik,' protesteerde ik, 'dat hebt gij zelf toch ook gedaan in uw studententijd?' 'Ja maar ik deelde de winst met mijn professoren,' nuanceerde Rik Torfs. 'Komaan mannen!' maande hij zijn hijgende vice-rectoren aan, ' nu gaan we zwaar gebuisde studenten vangen. Op naar het STUC, daar zitten er veel.'

Ik schudde meewarig het hoofd. Hoe macht een in wezen goed mens kan veranderen ... 'Ge weet toch nog wat ik een dik jaar geleden gezegd heb, vriend Louis,' riep de rector mij nog toe vanop zijn schild, 'ik ga niet de lolbroek uithangen, ze gaan nog van mij verschieten.' Waarna hij zijn dragers met een strijdkreet en een klein zweepje in gestrekte draf joeg.

Wat is dat hier voor een cirque?

Wat is dat hier voor een cirque! bulderde een andere zeer bekende stem. Bijna was het op de hoek van de Vlamingenstraat en de Parkstraat tot een lelijke botsing gekomen tussen de posse van de universiteit en het gevolg van burgemeester Louis Tobback. Ook Tobback stond met zijn volle één meter negenenvijftig in wankel evenwicht op een gemeentelijk schild dat werd getorst door verkozenen van de SP.A, die zich duidelijk iets anders hadden voorgesteld van hun mandaat. 'Mag ik weten wat gij op de openbare weg aan het uitspoken zijt, rector Torfs?' wilde Tobback weten. 'Dag burgemeester Tobback,' antwoordde Rik Torfs koeltjes, 'ik houd mij bezig met universitaire besognes, en gij?' 'Ik ben u geen uitleg verschuldigd, rector Torfs,' repliceerde de burgemeester op zijn beurt.

De relatie tussen de twee is niet optimaal, zullen we maar zeggen. Tobback heeft een minderwaardigheidscomplex omdat hij maar een diploma van regent Frans heeft. Torfs vindt dat Leuven geen burgemeester nodig heeft als er toch al een rector van zijn formaat is. Tobback is kwaad omdat hij nog altijd geen eredoctoraat aan de KUL heeft gekregen, wat Torfs hem, weliswaar onder invloed van alcoholische dranken, beloofd had. Torfs is kwaad omdat de politie van Tobback zijn rectorale dienstfiets heeft geconfisqueerd omdat het zwartgelakte rijwiel fout geparkeerd stond in de Naamse straat. Tobback vindt de studenten in Leuven een noodzakelijk kwaad en doet wat hij kan om ze het leven zo onaangenaam mogelijk te maken. Het komt erop neer dat ze alleen nog op 1 mei op café mogen. Torfs zet de studenten openlijk aan tot verzet tegen de repressieve aanpak die Tobback voorstaat. Tobback vindt Torfs in wezen een tsjeef. Torfs vindt Tobback in wezen een potentaat.

Ophokplicht

'Laat me raden wat gij aan het doen zijt,' sprak rector Torfs op spottende toon.
'Het zou mij verbazen als gij mijn gedachten kunt raden,' antwoordde burgemeester Tobback uitdagend.
'Gij kijkt als hoofd van de politie toe op de ophokplicht, nietwaar soms?' zei Torfs met een grijns die niet veel goeds beloofde.
'Ge houdt niet op om mij onaangenaam te verbazen, rector.'
De stem van Tobback klonk wat onzeker. Ophokplicht, ophokplicht, zag ik hem denken, wat heb ik daar in godsnaam mee te maken.
'Allez burgemeester,' sneerde de rector, 'dat valt me wat tegen van u. Meestal zijt ge niet zo traag van begrip.'
'Speelt met een ander zijn voeten, rector,' maakte Tobback zich nog kwader dan hij al was.
'Ik zal u helpen, burgemeester. Studenten zijn voor u toch kiekens? Hebt ge hem, burgemeester? '

(Louis van Dievel is senior writer bij VRT Nieuws en schrijver.)

lees ook