Migratie en integratie: it takes two to tango - Bilal Benyaich

Vandaag heeft één op de vier inwoners in België zijn wortels in de migratie. Een aantal dat in de loop van de komende jaren en decennia nog zal toenemen. Migratie is een watermerk geworden van het eenentwintigste-eeuwse België en toch zijn we allesbehalve een zelfbewust immigratieland. Meer, nergens in de ontwikkelde wereld is de achterstelling van migranten en nieuwe Belgen zo groot als in België.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

We kunnen het ons echter niet meer veroorloven om ons neer te leggen bij de achterstelling van migranten en nieuwe Belgen. Bij ongewijzigd beleid zullen de economische, politieke, sociologische en psychologische kosten gewoonweg ondraaglijk worden. Nee, België en zijn deelstaten kunnen beter doen, moeten beter doen. In wat volgt wordt een diagnose gesteld en worden remedies naar voor geschoven. 2015 moet absoluut het jaar van een vernieuwd migratie- en integratiebeleid worden. We moeten een totaalaanpak ambiëren die alle relevante actoren mobiliseert, de hele cyclus van immigratie, integratie en participatie beslaat en stevige bruggen slaat tussen diverse beleidsdomeinen en -niveaus.

Integratie? It takes two to tango!

“De integratie is mislukt.” Het is een uitspraak die de afgelopen jaren over de lippen van een resem Belgische en Europese toppolitici is gerold. Een stelling die in zekere zin klopt: de inpassing van en participatie door een deel van de immigranten en nieuwe Belgen is mislukt. Meer, ze is op dit eigenste moment aan het mislukken. De prestaties van toppers zoals Vincent Kompany, Meyrem Almaci en Adil El Arbi ten spijt, België blijft helaas een Europese koploper wat de achterstelling van migranten en hun nakomelingen betreft. Haast alle – ja: alle - indicatoren staan op rood. Vooral in het onderwijs en op de arbeidsmarkt neemt de zwakke positie van niet-Europese migranten en hun nakomelingen onaanvaardbare proporties aan.

Als het over migranten gaat, dan zijn we goed in het doorgeven van de zwartepiet. Nochtans, als een inpassing in de samenleving mislukt, dan kan en mag dit niet louter op het conto van de migrant en zijn nakomelingen worden geschreven. Dat zou immers eenzijdig en simplistisch zijn. Er zijn nu eenmaal verschillende factoren en oorzaken in het spel.

Vanuit beleidsperspectief gaat het blikveld spontaan naar de overheid. Terwijl het aantal immigranten door de jaren heen met rasse schreden toenam, was er in ons land lange tijd gewoonweg geen migratie- en integratiebeleid die naam waardig. En ook vandaag de dag schiet beleid gericht op het managen van migratie en het stimuleren van integratie nog steeds te kort om die historische achterstand weg te werken. Ja, er zijn flink wat decreten, wetten en voorzieningen die de plaats van migranten en nieuwe Belgen in de samenleving moeten garanderen en verbeteren. Maar de uitkomsten hiervan zijn niet onverdeeld positief. Ze schieten in elk geval nog schromelijk te kort in resultaten. Deze situatie is onhoudbaar aan het worden.

Een gefaalde dan wel geslaagde integratie is vanuit maatschappelijk oogpunt altijd een gedeelde verantwoordelijkheid. It takes two to tango, integratie is tweerichtingsverkeer. Migranten zijn geen kolonisten: natuurlijk horen ze zich aan te passen aan het gastland. Maar die samenleving moet ook ontvangend zijn, moet de ruimte en de kans geven aan de nieuwkomer om zich te ontplooien, om te kunnen participeren om een wezenlijke bijdrage te leveren aan de samenleving.

Bij dat laatste wringt het schoentje in België: nogal wat nieuw- en oudkomers - zelfs Belgen van de tweede en derde generatie! - worden misschien wel getolereerd, maar niet gauw geaccepteerd. Op school, op de werkvloer, op straat, in de media, zelfs in de parlementen, krijgen ze nu en dan het signaal dat ze er niet echt bij horen. Sommigen gaan zich ook navenant gedragen. De gevolgen hiervan zijn merkbaar in haast alle maatschappelijke sferen.

Een zelfbewust (im)migratieland

Het is uiteraard makkelijker om migranten en hun nakomelingen niet alleen te tolereren maar ook te aanvaarden en respecteren als een samenleving zichzelf als een ‘migratienatie’ ziet – denken we maar aan de Verenigde Staten – of, in het andere geval, wanneer de instroom van migranten beperkt en selectief is waardoor de sociale en economische kosten van de immigratie haast instinctief lager worden ingeschat dan de baten.

België is anno 2014 de facto een immigratieland, maar allesbehalve een zelfbewuste immigratienatie. Tegenover immigratie overheersen een zeker negativisme en onzekerheid. Nochtans zijn migranten – of ze nu om politieke, economische of klimatologische redenen migreren - door de band genomen moedige mensen die het vertrouwde achter zich laten om elders een nieuw en beter leven op te bouwen. Vaak blaken ze van ambitie en hebben ze een positieve attitude ten aanzien van werk en vooruitgang.

Het negativisme wordt helaas versterkt door mislukte integratietrajecten en de zichtbare sociale uitwassen ervan - armoede, gettoïsering, criminaliteit of ook religieuze radicalisering. Het relatief hoge aantal mislukte integratietrajecten is een afgeleide van de combinatie van twee elementen: de decennialange afwezigheid van integratiebeleid gecombineerd met substantiële volgmigratie - de hereniging met partners en familieleden - die dus door dat gebrek aan beleid in grote mate passief bleek en bleef.

Diaspora ‘s dikten aan, van een inburgerings- en integratiebeleid was geen sprake, en samen met een xenofoob klimaat aan de ene kant en een multiculturele laisser-fairepolitiek aan de andere kant, groeiden afgezonderde ‘gemeenschappen’. Vandaag voedt wederzijdse vervreemding – en een gebrek aan verbondenheid dus – het negativisme ten aanzien van migratie. En niet alleen bij autochtone Belgen, ook bij Belgen met een migratiegeschiedenis ten aanzien van nieuwe immigranten. Dat is jammer, want migratie hoort niet het probleem maar een deel van de oplossing te zijn voor de demografische en economische uitdagingen van ons continent.

De migratie naar België is na de Tweede Wereldoorlog sterk toegenomen en heeft sinds de Europese eenmaking en de val van de Muur een nog sterkere impetus gekend. België moet qua positief migratiesaldo niet onderdoen voor klassieke migratienaties zoals Canada of Australië. Alleen al de laatste vijftien jaar zijn er jaarlijks meer dan honderdduizend migranten ons land binnengekomen. De meerderheid komt uit andere Europese landen en dus niet uit andere continenten zoals weleens wordt gedacht. Zelfs al zou de lichte daling met een tiental procent van 2012 zich verderzetten, de omvang van de immigratie is van die orde dat deze grondig zijn stempel drukt op het etnische en demografische profiel van ons land. Nu al komt een op vier inwoners en Belgen uit de migratie. Projecties van Eurostat gaan ervan uit dat dit over enkele decennia een derde tot de helft zal zijn, met een meerderheid (!) aan Belgen met migratiewortels – Belgen dus van de derde, vierde… generatie – onder de bevolking op arbeidsleeftijd jonger dan veertig. Geen paniek: hiermee zal België een trend volgen die in de meeste OESO-landen merkbaar is.

In essentie gaat het evenwel minder over de hoeveel-vraag en meer over de waarom-vraag en de hoe-vraag, respectievelijk: Wat zijn de migratiemotieven van immigranten? En hoe kan de sociale cohesie worden behouden en versterkt in een samenleving die gekenmerkt wordt door exponentiële diversiteit?

Wat de eerste vraag betreft: vergeleken met andere lidstaten van de EU kent België bovengemiddeld veel verblijfsmachtigingen toe om familiale redenen. Slechts een minderheid van de migratiemotieven zijn om redenen van studie of werk. Dit leidt in vele gevallen dus tot die zogenaamd passieve migratie. Meer nog, het leidt ook tot de instandhouding van het tweedegeneratieverhaal waarbij een van de ouders, vaak een laag- of ongeschoolde moeder, veroordeeld lijkt tot een inactief en afhankelijk bestaan, en waarbij de kinderen met dezelfde levensomstandigheden en identiteitscrisissen worden geconfronteerd als de (groot)ouder van de werkelijke tweede generatie.

In die zin heeft de wet tot wijziging van de voorwaarden tot gezinshereniging van 8 juli 2011 die de wet op de gezinshereniging heeft verstrengd, een legitieme rationaliteit. Door bijkomende voorwaarden te stellen kan misbruik worden voorkomen door betrokkenen voor hun verantwoordelijkheden te stellen, en dit migratiekanaal dus terug kan brengen tot de gerechtvaardigde essentie ervan. Maar deze verstrenging die effectief tot wat minder volgmigratie leidt volstaat niet. Er is immers ook nood aan een kordaat asielbeleid dat evenwel in lijn blijft met ethische standaarden en internationale afspraken ter zake. Daarnaast is de performantie van onze Belgische migratiepolitiek vooral afhankelijk van inspanningen die verricht moeten worden op het internationale en regionale beleidsniveau.

Enerzijds moeten de inspanningen op Europees niveau worden opgeschroefd om antwoorden te formuleren op gewapende conflicten, maar ook op mondiaal niveau om de gevolgen van klimaatverandering die wereldwijd een toenemend aantal vluchtelingen en asielzoekers genereren. Nu de VS hun diplomatiek evenwicht verplaatsen naar de regio van de Stille Oceaan, en de multipolaire kakofonie toeneemt, is de nood aan en het belang van de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden in het voorkomen en oplossen van conflicten in onze periferie en daarbuiten nooit groter geweest. Het Nabije Oosten, Centraal-Azië, de Grote Meren, de Sahel: wie geen stabiliteit exporteert, importeert instabiliteit en vluchtelingenstromen. Er rust de nieuwe Europese Commissie en de nieuwe Europese ‘minister van Buitenlandse Zaken’, Federica Mogherini, een loodzware taak op de schouders.

Anderzijds is er ook nood aan een proactief migratiebeleid. Een restrictief doch rechtvaardig gezinsherenigings- en asielbeleid moet een proactief arbeids- en studentenmigratiebeleid als complement hebben, waarbij de link wordt gemaakt naar knelpuntberoepen en prangende noden in de industrie en de dienstensector. Uiteraard mag de reeds aanwezige arbeidsreserve niet uit het oog worden verloren. De deelstaten moeten in ieder geval de opportuniteit aangrijpen die de inkanteling van de bevoegdheden inzake arbeidsmigratiebeleid biedt n.a.v. de implementatie van de zesde staatshervorming. De focus moet liggen op opleidingsniveau – hoog- en middengeschoolden - en de link met knelpuntvacatures, en op snelle en eenvoudige administratieve procedures en het optrekken van de initiële duur van arbeidskaart B. De sociale partners zijn alvast vragende partij. Opdat ook het land van herkomst van de migrant deelt in de baten komen economische migranten bij voorkeur uit landen uit de middeninkomensgroep, die geen of weinig economische en sociaal-politieke schade zouden ondervinden uit een al dan niet tijdelijke hersenvlucht. Van Marokko tot Oekraïne, heel wat landen die partners zijn in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid zouden hier dus voor in aanmerking kunnen komen.

De nadruk op burgerschap

Sociale samenhang is altijd een uitdaging geweest in heterogene samenlevingen. Helaas bieden trendy sociologische concepten zoals interculturalisme en super-diversity niet onmiddellijk een antwoord op de vraag hoe de sociale cohesie kan worden behouden en versterkt in een samenleving die gekenmerkt wordt door een sterk toenemende diversiteit. Deze begrippen stellen enkel een werkelijkheid vast, ze gaan uit van een vorm van vrijblijvendheid. Wat nodig is, is het uittekenen en promoten van inclusieve nationale en regionale identiteiten. Identiteiten waarbij burgerschap centraal staat. Een burgerschap dat op civiele, niet op etnisch-culturele elementen gestoeld is.

Burgerschap brengt rechten en plichten mee en betekent respect voor essentiële waarden waaronder: non-discriminatie, de neutraliteit van de staat en zijn vertakkingen, politiek pluralisme, democratie en de rechtstaat als scheidsrechter. Deze essentiële waarden die de pijlers zijn van onze beschaving moeten ingeburgerd zijn bij jong en oud, autochtoon en allochtoon. Een vak burgerschap in het onderwijs is een maatschappelijke noodzakelijkheid.

In een samenleving die internationaliseert en waarbij de diversiteit exponentieel toeneemt, neemt ook de nood aan een lingua franca toe. Dit moet uiteraard de respectievelijke landstaal zijn. Jammer genoeg verglijdt taalrealisme in onze contreien maar al te vaak in taalfetisjisme. In een kosmopolitische omgeving moet nochtans complexloos worden omgegaan met andere lands- en wereldtalen.

Die lingua franca, de landstaal, en de essentiële waarden die aan de basis liggen van burgerschap doen het belang van inburgeringsprogramma’s alleen maar toenemen. Een inburgeringstraject werkt socialiserend en zou een hefboom moeten vormen naar maatschappelijke integratie en werk. Dat Wallonië zich laat inspireren door het Vlaamse voorbeeld door inburgering op te nemen in het Waalse regeerakkoord valt alleen maar toe te juichen. Het Vlaamse inburgeringsbeleid kan als goede praktijk dienst doen voor binnen- en buitenland mits we het aanbod (taal, maatschappelijke oriëntatie) vraaggestuurd inrichten – wat wil zeggen dat de wachtlijsten dienen te worden weggewerkt en de lessen flexibel worden georganiseerd zodat de inburgeraar in staat is om te werken of zorgtaken uit te voeren - en het inburgeringstraject in geen geval voorwaardelijk stellen voor het genot van grondrechten.

Toch blijven elementaire lessen taal en maatschappelijke oriëntatie slechts een deel van het inburgeringsverhaal. Naast de lessen moet er sterk worden ingezet op individuele begeleiding op weg naar werk. Zoals we verder zullen zien dient de toegang en doorverwijzing tussen de verschillende diensten – van het Huis van het Nederlands (in Vlaanderen), over het OCMW tot arbeidsbemiddelingsdiensten zoals VDAB en FOREM – best via een een-loketsysteem georganiseerd te worden.

Samenvattend: België ziet zichzelf niet als een klassieke migratienatie maar migratie is ondertussen wel een watermerk van België. Erken het feit dat migratie deel uitmaakt van de Belgische en regionale identiteiten en voer tegelijkertijd de inspanningen inzake integratie en inburgering gevoelig op, waarbij taalverwerving, sociale cohesie en een gedeelde openbare cultuur centraal staan.

De school opnieuw een sociale lift

In haast alle OESO-landen is er een kloof tussen de onderwijsprestaties van leerlingen met een migratiegeschiedenis en die van autochtone leerlingen. Maar uit de PISA-onderzoeken blijkt dat onder OESO-landen haast nergens de onderwijsongelijkheid zo groot is als in België. Dirk Jacobs (ULB) heeft in zijn bijdrage in Klokslag Twaalf becijferd dat bijna vier op tien leerlingen met een migratieverleden het minimale niveau niet halen. Bijna de helft, een hallucinante verspilling van talent.

De sociale afkomst drukt zijn stempel op de studieresultaten maar ook het schoolsysteem, de thuistaal, het opleidingsniveau van de moeder en de kwaliteit van het onderwijzend personeel zijn verklarende variabelen. Men moet op al deze factoren inspelen, wil men van onderwijs daadwerkelijk een hefboom maken voor sociale mobiliteit.

Een groot deel van de leerlingen met roots in een land buiten de EU wordt consequent naar de B-stroom verwezen in de eerste graad van het secundair onderwijs. Andere leerlingen met een migratie-achtergrond sukkelen vaker dan autochtone leerlingen via het watervalsysteem in de lagere beroepsopleidingen. Funest voor velen zolang het technisch en beroepsonderwijs niet geherwaardeerd en meer arbeidsmarktgericht worden. Gevolg: zowat de helft van de leerlingen van Turkse en Marokkaanse afkomst verlaat uiteindelijk ongekwalificeerd de schoolbanken. Deze schooluitval is een dramatische situatie die generatie-overstijgend geworden is maar vreemd genoeg nog steeds te weinig aandacht krijgt van beleidsmakers. Het probleem wordt niet aan de wortel aangepakt en de recente federale koppeling van de inschakelingsuitkering aan het behalen van het diploma zou wel eens niet meer dan symptoombestrijding en probleemverschuiving blijken.

Om de oververtegenwoordiging in de B-stroom, de ondermaatse schoolresultaten en de schooluitval tegen te gaan moet er gelijktijdig worden ingezet op verschillende strategieën. Een kort overzicht.

Niemand kiest in welk nest hij of zij wordt geworpen. Ongelijkheid en ongelijke kansen zijn fenomenen die bij de conceptie reeds een feit zijn. En schoolachterstand begint bijgevolg erg vroeg. Cognitieve, psychomotorische en spraakvaardigheden moeten op de jongst mogelijke leeftijd ontwikkeld en geprikkeld worden. Daarom moet de leerplicht vervroegd worden: verplicht het kleuteronderwijs voor iedereen zodat de achterstand bij sommigen aan de wortel kan worden aangepakt. Ook de taalachterstand die nu voornamelijk in het primair en secundair onderwijs wordt geremedieerd, kan hiermee worden ingehaald.

Daarnaast moet ook de betrokkenheid van de ouders – van het kleuterklasje tot en met het zesde jaar secundair - verhoogd worden. Een verhoogde betrokkenheid zorgt er ook voor dat zij die ertoe in staat zijn praktische ondersteuning aan hun kinderen kunnen geven bij het studeren. Ook zou het uitstellen van de schoolkeuze de correlatie die er op jonge leeftijd bestaat tussen studieresultaten en sociale achtergrond kunnen verminderen. Zou, want het effect van uitstel van vroege differentiatie zonder een verlaging van de leerplicht zoals hierboven bepleit zou wel eens beperkter kunnen zijn.

Ten slotte is ook de rol en kwaliteit van de leerkrachten van doorslaggevend belang. In zogenaamde concentratiescholen blijkt het verloop van leerkrachten hoog te zijn. Bovendien betreft het vaak jonge, beginnende leerkrachten. Leerkrachten verdienen een hogere maatschappelijke erkenning en valorisering. Dit hoort ook vorm te krijgen door het opleidingsniveau van de leerkrachten gevoelig op te trekken en door de loopbaan aantrekkelijker te maken. Om gekwalificeerde, ervaren leerkrachten te blijven aantrekken in zogenaamde ‘moeilijke’ scholen is het van belang om de vergoedingen op te trekken.

Activering noopt tot een totaalaanpak

De kloof in werkzaamheidsgraad tussen autochtonen en personen uit de migratie is haast nergens zo groot als in België en zijn deelstaten. De Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor en de federale Socio-Economische Monitoring liegen er niet om. Slechts 43% van de personen met een niet-EU-nationaliteit was in 2012 aan het werk, wat 30% lager ligt dan de werkzaamheidsgraad onder Belgen. Kijkt men naar de personen geboren buiten de EU - waaronder heel wat tot Belg genaturaliseerden - dan zien we dat de werkzaamheidsgraad bijna 10% hoger ligt dan bij personen met een niet-EU-nationaliteit. Er blijft echter een kloof van twintig procentpunten gapen. En vrouwen doen het nog slechter: slechts 32% van de niet-EU-vrouwen en 40% van de vrouwen geboren buiten de EU zijn aan het werk. Daarnaast zijn er ook statistische verschillen naargelang de leeftijd en de herkomstregio.

De werkloosheidsgraad bij personen met een niet-EU-nationaliteit bedraagt maar liefst 38,7% terwijl de gemiddelde werkloosheidsgraad in België voor personen van 18 tot 60 jaar 8,4% bedraagt. De werkloosheidsgraad onder personen van Maghrebijnse origine – hier worden trouwens ook de jongeren van de derde generatie onder begrepen die Belg zijn bij geboorte maar een ouder hebben die niet in België is geboren – is maar liefst het viervoud van de personen van Belgische origine – zijnde de Belgische personen geboren als Belg van wie de twee ouders geboren zijn als Belg.

In heel wat Brusselse wijken in de arme sikkel stijgt de werkloosheidsgraad onder jongeren zelfs tot 50 en zelfs 60%. Voor de financieel-economische crisis was een op de vijf werkzoekenden in Vlaanderen van vreemde herkomst, vandaag is dat een op de vier. Ronduit alarmerende en schrijnende cijfers en evoluties.
Nergens in Europa is de arbeidsmarktpositie van inwoners en Belgen van vreemde herkomst zo dramatisch als in België. Hier zijn verschillende oorzaken voor die op elkaar inwerken. In eerste instantie begint de achterstelling op de arbeidsmarkt in het onderwijs. Onderwijskansen en –uitkomsten werken voor een belangrijk deel door op de arbeidsmarkt. Ongekwalificeerde en laaggeschoolde uitstroom matcht immers hoe langer hoe minder met de aanbodzijde van de economie - gelet op de mondiale verschuiving van werkgelegenheid, technologische veranderingen en de transitie naar een kenniseconomie. Met name in het Brussels Hoofdstedelijk gewest is zelfs voor laaggeschoolde arbeid tweetaligheid vaak onvermijdelijk, terwijl de kwaliteit van het onderwijs en de ongekwalificeerde uitstroom alarmerend zijn èn er verhoudingsgewijs meer hooggeschoolde jobs zijn dan in de andere gewesten.

Daarnaast speelt ook een gebrek aan netwerken in onze ons-kent-ons-arbeidsmarkt, een slecht functionerend rekruteringsbeleid, socioculturele patronen (het mannelijke kostwinnersmodel) en discriminatie een rol. Ofschoon opleidingsniveau gecorreleerd is met werkloosheid blijkt uit cijfers van de VDAB dat de werkloosheidsgraad onder hooggeschoolde allochtonen een veelvoud blijkt te zijn van hun autochtone evenknieën. Een flink deel hooggeschoolden die wel werk hebben, werken onder hun niveau. Verschillende oorzaken, één resultaat: een reuzenkloof tussen auto- en allochtonen, tussen in- en outsiders.
Om de achterstelling van personen met een migratie-achtergrond structureel om te buigen moet simultaan ingezet worden op verschillende strategieën. De arbeidsmarktproblematiek van personen van vreemde herkomst heeft zulke proporties bereikt dat enkel een totaalaanpak over beleidsdomeinen, beleidsniveaus en actoren heen nog soelaas kan brengen. We staan kort stil bij volgende prioriteiten: preventie via onderwijs, aandacht voor taal en stages, een aanpak op maat en doelstellingen in een gedragen participatiepact, de installatie van een onthaalloket waarin alle integratie- en werkgerelateerde diensten bereikt kunnen worden en het opschroeven van de inspanningen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt.

Bovenal moet er preventief worden opgetreden door de inspanningen in het onderwijs stevig op te schroeven. Betere studiekeuzes, vlottere doorstroom, een hogere gekwalificeerde uitstroom en hogere onderwijsuitkomsten bij personen met een migratiegeschiedenis en succesvolle stageformules zijn een conditio sine qua non. Daarnaast moeten zowel de arbeidsbemiddelingsdiensten als andere werkgerelateerde diensten een aanpak op maat ambiëren. One size fits all en versnipperde dienstverlening hebben in zekere zin bijgedragen aan het participatiefiasco onder personen met een migratiegeschiedenis. Het goede nieuws is wel dat er stilaan wordt afgestapt van de uniforme dienstverlening. Een competentie- en persoonsgericht loopbaanbeleid staat hoog op de beleidsagenda. Zoals uit de bijdrage van Fons Leroy in Klokslag Twaalf blijkt, speelt de VDAB een voortrekkersrol in ons land. Een uitstekende zaak maar maatwerk op de schaal van het individu moet hand in hand blijven gaan met kwantificeerbare doelstellingen op meso- en macroschaal. Het is het verhaal van de dweil en de kraan: naast de focus op het individu en diens competenties, los van groepskenmerken, moeten op sectoraal en op globaal niveau glasheldere doelstellingen en streefcijfers worden geformuleerd. Hierbij moeten alle relevante actoren worden betrokken en geresponsabiliseerd in een ambitieus ‘participatiepact’. Wat Vlaanderen betreft kan dit plaats krijgen in of samenvallen met het voorziene integratiepact.

Verder moet de versnipperde dienstverlening worden tegengegaan door de installatie van een integrale toegangspoort, één onthaalloket, waar elke nieuwkomer de diensten voor maatschappelijke integratie en participatie (scholen, mutualiteiten, lokale besturen, OCMW’ s, RVA, VDAB…) kan vinden en de juiste doorverwijzingen krijgt. Dit kan een gepersonaliseerde aanpak mogelijk maken, wat de migrant en ook de doeltreffend- en doelmatigheid van de betrokken diensten ten goede komt. Versnippering van bevoegdheden en taken is een institutionele werkelijkheid in België, maar enkel door de uitoefening ervan samen te brengen kan de hardnekkige achterstelling van een groot aantal personen uit de migratie worden gekeerd.

Tot slot moet discriminatie op de arbeidsmarkt serieus worden genomen. Uiteraard discrimineren bijlange niet alle werkgevers, net zoals bijlange niet alle werklozen liever inactief zijn. Gelukkig maar. Het tegendeel beweren zou onjuist en stigmatiserend zijn. Zoals uit de bijdrage van Stijn Baert (UGent) in Klokslag Twaalf blijkt, bestaat het fenomeen en draagt het wel degelijk bij tot de marginalisering van Mohamed en de favorisering van Piet. We moeten echter het warm water niet uitvinden. Het wettelijk kader is met een robuuste antidiscriminatiewetgeving voorhanden. De inzet hiervan vergt evenwel een meer kordate aanpak.

Het moge duidelijk zijn: ‘integratie’ kan maar werkelijkheid worden als elke actor, groot en klein, publiek en privé, zijn steentje bijdraagt. Met meer van hetzelfde zullen we niet slagen in het realiseren van een ‘geïntegreerde samenleving’. Hiervoor is de inertie in het verleden te groot geweest en weegt de historische erfenis te zwaar. Enkel een beleid dat iedereen een plaats geeft en dat afgestemd is over domeinen en niveaus heen kan voor een ommekeer zorgen. Er valt geen seconde meer te verliezen, het is klokslag twaalf. Laat 2015 een keerpunt vormen. Hoog tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid.

(De auteur is als senior fellow verbonden aan de denktank Itinera Institute en redacteur van het recent verschenen boek ‘Klokslag Twaalf. Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid’. Klokslag Twaalf kan gratis worden gedownload op www.itinerainstitute.org.)

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.

Meest gelezen