"Positieve houding bij gamen wapent je kind voor de toekomst"

Ouders doen er goed aan een actieve en positieve houding aan te nemen wanneer hun (jonge) kinderen gamen. Dat zegt professor Jan Van Looy van de UGent in een reactie op de resultaten van zijn onderzoek naar het gamegedrag van jonge kinderen.
2006 Getty Images

Van Looy heeft samen met zijn collega's 9.815 ouders van kinderen tussen 3 en 10 jaar over het gamegedrag van hun kroost ondervraagd. Uit de resultaten blijkt dat Vlaamse kinderen van die leeftijd gemiddeld 40 minuten per dag aan digitale spelletjes spenderen. 82 procent doet het minstens één keer per week. 24 procent van de driejarigen doet het zelfs dagelijks.

"Unieke studie, ook op internationaal niveau"

"We hebben een inclusieve definitie van gamen gehanteerd", vertelt Van Looy aan deredactie.be. "Concreet gingen we uit van elke digitale toepassing die een spelelement bevat. Dit gaat van spelconsoles tot een occasioneel spelletje op een smartphone."

"We wisten dat jonge kinderen steeds meer gamen, maar voor de leeftijdsgroep van 3 tot 10 jaar was dit nog nooit in kaart gebracht. In die zin is onze studie uniek, ook op internationaal niveau."

"Intensief gebruik niet hetzelfde als problematisch gebruik"

Dat ook jonge kinderen vaak blijken te gamen, hoeft niet per se een probleem te vormen. "Eerder onderzoek bij oudere kinderen heeft aangetoond dat gamen goed is voor cognitieve vaardigheden als aandacht en geheugen. Bij jonge kinderen is dit nog niet onderzocht, maar we hebben geen reden om aan te nemen dat dit bij hen niet het geval is."

"Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen intensief gebruik en problematisch gebruik van digitale spelletjes. De situatie is pas problematisch als andere aspecten van het leven van het kind onder druk komen te staan, bijvoorbeeld als het abnormaal sociaal gedrag vertoont of als het aan zijn schoolwerk verzaakt. Uit ons onderzoek is evenwel gebleken dat dit soort gedrag nauwelijks bij heel jonge kinderen voorkomt."

"Belangrijker dan wàt je doet, is hóé je het doet"

"Ouders kunnen op twee manieren met het gamegedrag van hun jonge kinderen omgaan. Enerzijds kunnen ze een actieve houding aannemen door zich in te leven of zelf mee te spelen. Anderzijds kunnen ze ook restrictief optreden door regels of voorwaarden op te leggen. Ons onderzoek toont aan dat de beide benaderingswijzes tot positieve resultaten leiden. Regels leiden niet per se tot rebellie of problematisch gedrag."

"Belangrijker dan wàt je doet, is hóé je het doet", benadrukt Van Looy. "Wie zijn kind bijzonder strikt controleert en bestraft, is niet goed bezig. Een kind identificeert zich vaak met zijn hobby. Als een ouder die hobby negatief beoordeelt, voelt het kind zich ook zelf afgewezen en valt de vertrouwensband weg."

"Beter is een autonomie-ondersteunende houding aan te nemen door het gamen positief en vriendelijk te benaderen. Dit hoeft het opleggen van regels niet in de weg te staan. Zo kan een ouder haar of zijn kind waarschuwen dat het beter niet vlak voor bedtijd gamet omdat het anders niet zal kunnen slapen."

"Een ouder kan niet overal en altijd aan de zijde van haar of zijn kind gaan zitten. Door een autonomie-ondersteunende houding maak je je kind bewust van de mogelijkheden én de gevaren van een digitale omgeving en wapen je het voor de toekomst."