Veroordeeld tot de trein - Louis van Dievel

Na mijn ellendige week op de trein, waarover ik u vorige maandag onderhield, besloot ik een hele week met de auto te gaan werken. Erger kon immers niet, dacht ik. Maar ik dwaalde.

Ouder en wijzer

Ik woon benoorden Antwerpen, in het lieflijke Heide, het is u misschien niet onbekend.  Ik heb - in theorie - drie mogelijkheden om van bij thuis de Antwerpse ring te bereiken. Op twee van die tracés wordt gewerkt (en op één van die twee zelfs al jaren). Ik nam dus noodgedwongen de langste route, die mij ter hoogte van Brecht op de E19 naar Antwerpen brengt.

Daar begon van maandag tot en met donderdag ook de ellende. Het kleinste incident (iemand tikt uit onoplettendheid de bumper van zijn voorrijder aan, bijvoorbeeld) veroorzaakt stilstaand verkeer. Een keer bleek er in Zandhoven een ongeluk te zijn gebeurd. Op een andere autoweg. Maar de file stond wel tot in Brecht.

Ik ben wat ouder intussen en een wat voorzichtiger chauffeur geworden, maar in mijn tijd  hadden auto's nog richtingaanwijzers, werd er niet getelefoneerd aan het stuur, was de pechstrook bedoeld voor auto's in panne, werd er niet gevochten voor elke meter terreinwinst. Die overigens aan het einde van de rit geen enkele winst oplevert (tenzij je kilometers aan een stuk de pechstrook zou gebruiken, waarvoor altijd iemand wel een stokje steekt).

Kas opvreten

Ik zat in mijn autootje mijn "kas op te vreten". De enige genoegdoening die ik had was de muziek uit de cd-speler. En het luidkeels meezingen, ik geef het toe. Maar lezen kon ik niet (of wilde ik niet aan het stuur) en naar het berijpte landschap kijken al evenmin. De hele tijd moest ik op de stoplichten van mijn voorrijder letten. Ik kwam te laat, gestresseerd en moe in Brussel aan. Ik was iedere ochtend tussen twee en drie uur onderweg, enkele reis.

De terugrit verliep merkwaardig genoeg veel makkelijker, hoewel je tussen al dat gejakker en geros, dat geknipper met grote lichten, dat getoeter, die middenvingers en dat roekeloos de pas afsnijden behoorlijk Zen moet kunnen zijn.

Maar ziet: op vrijdagochtend verliep de reis Heide-Reyerslaan nagenoeg probleem- en vlekkeloos. Hier en daar wat vertragen, in Machelen een beetje accordeonfile. Maar ik was op één uur en een kwartier op mijn werk.

Catch 22

Helaas, pindakaas. Des avonds moest ik richting Gent. Op vrijdagavond is het spitsuur op de Brusselse ring al legendarisch qua moeilijkheid, maar vorige vrijdag was het een spits met toptien-allures. Door een ongeval ter hoogte van Jette zat het verkeer muurvast. In de andere richting gewoon vast, als dat bestaat, maar richting Gent dus muurvast. Het kostte mij bijna twee uur om Groot-Bijgaarden te bereiken.

Vanmorgen betrad ik dus opnieuw welgezind spoor twee in Heide. Ik verheugde mij al op de lectuur van de kranten en van een goed boek.

Helaas: de trein die zich om zeventien over acht aanmeldde was van het oudste model dat de NMBS in huis heeft en veel te klein.  Goed, we wringen er ons allemaal op. En dan kiest de NMBS alweer voor de gemakkelijkheidsoplossing die ik vorige week al belichtte: de trein reed niet verder dan Antwerpen. En dus moest ik in Antwerpen wachten op een trein naar Mechelen  en in Mechelen een trein naar Halle. De informatie in Antwerpen Centraal was overigens niet correct.  Ik was, van deur tot deur, alweer meer dan twee uur onderweg. Mijn rug doet nog altijd zeer van de slechte stoelen en van het rechtstaan.

Maar het is zoals het is (zoals de huidige Kamervoorzitter vroeger ter redactie placht te zeggen): de service van de NMBS is ondermaats, maar de auto biedt geen alternatief. Catch 22, gelijk we dan zeggen.

 

(Louis van Dievel is pendelaar, senior writer bij VRT Nieuws en auteur.)

lees ook