Steden zijn jong en hip, maar worden stilaan onbetaalbaar

Het gaat vrij goed met de 13 Vlaamse centrumsteden: het aantal stedelingen groeit en de steden zelf hebben de laatste jaren veel aan aantrekkelijkheid gewonnen. Dat blijkt uit de vierjaarlijkse Stadsmonitor van de Vlaamse regering. Het wordt ook steeds duurder om in de stad te wonen, de huur of de afbetaling van de woning neemt een steeds grotere hap uit het budget van de stedeling.

De meeste centrumsteden hebben de laatste jaren zwaar ingezet op aantrekkelijkheid en leefbaarheid en plukken daar nu de vruchten van. De meeste stedelingen zijn oprecht fier op hun stad. In Brugge, Gent, Hasselt en Leuven is zelfs meer dan 80 procent van de bewoners trots om in hun respectievelijke stad te wonen. De meeste Vlaamse steden groeien dan ook, maar een evenwichtige socio-economische mix brengen blijft dé uitdaging voor de toekomst.

Die mix is belangrijk, want de meeste nieuwe stedelingen migreren uit het buitenland. Door het contact met andere culturen wordt wel de openheid en tolerantie bevorderd. Zo staat de helft van de stedelingen positief tegenover diversiteit. Die cijfers zijn het hoogst in Leuven, Genk, Gent en Antwerpen en het laagst in Aalst, maar nemen overal toe. Het samenleven verloopt wel niet overal even vlot.

Daarnaast neemt ook het aantal kinderen en jongvolwassenen steeds toe. Steden zijn hip; ook voor jonge gezinnen. Met uitzondering van Genk komen in alle centrumsteden meer jongvolwassenen en jonge gezinnen wonen dan er vertrekken. Dat is - weinig verrassend - het meeste het geval in de studentensteden Leuven en Gent. Ongeveer de helft van de studenten in die steden blijven na hun studie hangen en stichten er een gezin. In beide steden is, net als in Antwerpen trouwens, wel de verhuisintentie het grootst.

Dat laatste is opnieuw problematisch voor de sociale mix, want de vertrekkers zijn vaak gezinnen met een sterk socio-economisch profiel. Deze gezinnen vertrekken meestal omdat ze niet tevreden zijn over de verkeersveiligheid in hun buurt of meer ruimte willen. Toch is meer dan driekwart van de gezinnen met kinderen tevreden over hun woning, buurt en stad. Het overgrote merendeel zegt zelf momenteel in een groot en comfortabel huis te wonen met een private buitenruimte (tuin, terras, koer of balkon).

Woningprijzen pieken

Tot zover het goede nieuws. Het wordt steeds duurder om in de stad te blijven wonen. In vergelijking met 2003 is de prijs van een flat verdubbeld in Gent, Mechelen, Aalst en Leuven. In de overige steden is de prijs anderhalve keer duurder geworden. Zo spendeert een op de drie afbetalende eigenaars en bijna de helft van de huurders meer dan een derde van hun inkomen aan huur of afbetaling van hun woning.

De tevredenheid over mobiliteit is sterk afgenomen. Het openbaar vervoer scoort niet goed bij de stedeling. Vaak is het aanbod beperkt of zijn er te weinig haltes. Stedelingen hebben ook meer last van files en verkeershinder dan wie buiten de stad woont. Daartegenover staat dan wel dat steeds meer stedelingen tevreden zijn over de kwaliteit van de voet- en fietspaden. Dat is ook merkbaar in de cijfers. In hun vrije tijd gaan ze steeds vaker te voet of met de fiets. Ook woon-werkverkeer gebeurt steeds vaker op twee (niet-gemotoriseerde) wielen.

Ook het onveiligheidsgevoel is in alle steden gestegen, het minst in Brugge en het meest in Turnhout. Het stijgende onveiligheidsgevoel staat wel in schril contrast met de criminaliteitscijfers, die zijn in zo goed als alle steden gedaald. Alleen in Roeselare is het aantal handtasdiefstallen toegenomen. In Gent, Aalst, Brugge, Genk, Kortrijk en Oostende is het aantal woninginbraken dan weer gestegen.

"Meer autonomie voor lokale besturen"

De verschillen tussen de steden onderling zijn wel erg groot. Dat valt op als het bijvoorbeeld over groen gaat. Hoewel het aandeel groen in de meeste steden de voorbije jaren is toegenomen, heeft minder dan de helft van de Mechelaars op wandelafstand toegang tot groen. Ter vergelijking, in Oostende heeft 90 procent van de inwoners wél toegang tot groen op wandelafstand. Die verschillen zijn er ook wat speelruimte voor kinderen betreft. In Antwerpen en Turnhout kan 80 procent van de kinderen terecht op een speeltuintje in de buurt, in Aalst is dat amper een op de drie.

Ook armoede is een pijnpunt in de meeste steden, vooral dan in Genk en Antwerpen. Ook hier loopt een grote breuklijn tussen sommige steden. Zo ligt in Leuven, Hasselt en Brugge het gemiddeld inkomen wél hoger dan in de rest van Vlaanderen. Toch vindt een op de vijf geboorten in de centrumsteden plaats in een kansarm gezin. Dat is bijna dubbel zoveel als in de rest van Vlaanderen. Vooral Antwerpen en Oostende scoren hier erg slecht.

Door die grote onderlinge verschillen pleit Vlaams minister voor Stedenbeleid Liesbeth Homans (N-VA) voor meer autonomie voor de steden zelf. "De 13 centrumsteden kunnen zelf het best inschatten welke noden er zich afspelen in een bepaalde stad", zegt ze. "De Vlaamse overheid moet niet betuttelend optreden, maar eerder ondersteunend." Er zou nu een commissie komen die moet nagaan welke bevoegdheden overgeheveld kunnen worden van Vlaanderen naar de centrumsteden.

Vlaanderen telt 13 centrumsteden: Aalst, Antwerpen, Brugge, Brussel, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout. De Stadsmonitor brengt om de vier jaar met een set van zo’n 200 indicatoren de levenskwaliteit van de centrumsteden in kaart. De gegevens worden verzameld en geanalyseerd door het Agentschap Binnenlands Bestuur en de Studiedienst van de Vlaamse regering. Meer informatie daarover vindt u hier.