De dag dat het internet op was - Celia Ledoux

Het was rond twee uur 's nachts, en het was ontstellend. Ik fietste drie keer mijn tijdlijn door. De nieuwssites had ik bekeken. Ik sloot en heropende vensters. Ten einde raad volgde ik nog een paar twitteraars. Zwak manoeuvre dat de gruwelijke waarheid niet verborg. Zelfs flauwe artikels en memes waren al gepasseerd. Ik zocht en vond niets meer. Het internet was op.

Los van de wereld

Verbluft zag ik dat ik alle browservensters had gesloten. Ik voelde me opeens zo... ongeconnecteerd. Ik heb geen NSA-chip – ik bedoel smartphone – dus dit sloot mij compleet van de wereld af. Wat als er een baby geboren werd? Er oorlog uitbrak? Een aardbeving of vloedgolf plaatsvond? Ik zou het zonder connectie nog missen als ik om het leven moest komen. Sms'en troostten me niet: die versturen alleen nog een paar bomma's, the Man en ikzelf (soms bellen we zelfs, maar dat ontken ik buiten dit stukje glashard).
Wat nu? Er bleef me geen andere keuze dan aan het werk te gaan.

Binnen de drie dagen had ik twee boeken herwerkt, een novelle geschreven, vijf lezingen geboekt en gegeven, twee staketsels van een roman klaar. Ik maakte alvast een klad van mijn memoires – zo zonder net stond me een leven lang niets meer te gebeuren – en belde mijn uitgever. “Neem alsjeblieft vakantie”, smeekte hij hoorbaar vermoeid. “Een paar maand lang. Maak een wereldreis, Celia. Ga tuinieren. Puzzelen, is dat niks voor jou?” Ik luisterde wat scherper en hoorde achtergrondgetyp. De gluiperd. Hem restte duidelijk nog een stukje internet, die kon nooit begrijpen wat ik doormaakte. Ik haakte in.

Ik zag een man

Ik merkte al gauw dat mensen vroeger niet slimmer waren, zoals mijn ouders plachten te beweren, maar een comparatief voordeel genoten. Tegenover een offline domoor – zoals ikzelf – kon geen hedendaags genie op onder permanente verleiding van een online wereld die zijn aandacht dolgraag fragmenteren wilde. In een van de laatste artikels die ik online las, maakte een gerenommeerd wetenschapper zich zorgen over slimmer wordende robots die tot onze ondergang zouden leiden. Misschien, dacht ik nu, bleven zij even dom, maar werden wij via hun softwareneefjes stommer dan zijzelf?

Ik zuchtte en in dat dood moment stroomden drie krantenreeksen uit mijn pen waarvan eentje elk mysterie rond de Bende van Nijvel ophelderde. Ik leunde vermoeid achterover. Zou ik ze een paar hoofdredacteurs opsturen? Wellicht werden ze toch geweigerd, er kwamen immers geen schattige katten, gifs van regeringsleiders of sociale mediahypes in voor. Toen viel me uit een ooghoek iets op. Het was een man. Hoe was die hier binnen geraakt?

Toen mijn man mijn wantrouwen had geluwd middels zijn geboortecertificaat, identiteitskaart en bevredigende antwoorden op vragen naar ligging en vorm van bepaalde moedervlekken, diste hij voor de zekerheid nog een paar anekdotes op over onze verkering op. Het werd ondanks de onwennige stiltes nog een genoeglijke avond. Het ontstaan van de kinderen was me vooral bijgebleven doordat mijn laptop steeds hoger op mijn buik kwam te staan en daarna een korte en exceptionele periode oninteressant was. Maar gaandeweg was ik hen ondanks het intermittent gekrijs uit het oog verloren. Ze bleken redelijk te genieten. Wel moest je ermee spelen als je ze geen tablet voor te zetten had, en met hen van je afschoppen alsof ze dreigden het foute paswoord in je iPad te typen, namen ze geen genoegen. We bouwden een blokkenhuis, maakten een tekening en gingen wandelen. Onderweg viel me op dat buurtmensen tussen hun schermtijd in tijd hadden gevonden om een zaak te openen. Het waren retro bakstenen holletjes zonder één pixel. Andere hadden een huis gebouwd, al was dat 'm misschien met 3D-printers geflikt.

Zeeën van tijd

Na een week ontwikkelde ik vreemd gedrag. Live winkelen was er als een charmante gril ingeslopen en sleet in als bizarre gewoonte. Zo'n kruidenier trekt trouwens massa's mensen, alsof niemand ooit van thuisleverservice heeft gehoord. Zo lijk je al gauw bedrieglijk normaal. Ik betrapte me erop dat ik aan de kassa tegen een wildvreemde grapjes maakte en maakte me van de schrik zonder koopwaar de winkel uit. Zo moet iemand zich voelen als hij die internethype van haar-wassen-zonder-shampoo gelooft, en in de lift opeens mensen ziet terugdeinzen van zijn vermeend fris zelfreinigende muffe stinkmop.

Ik probeerde het met vrijetijdsbesteding, maar ook die werd steeds uitheemser. Jarenlange mosbegroeiing schrobde ik van tuintegels. Ik belde familieleden over wie (mogelijk fictieve) koesterende herinneringen bij me opdoken. De conversatie stokte steeds weer als ik moest uitleggen wie ik eigenlijk was en waarom ik niet gewoon Whatsapp gebruikte zoals de andere nichtjes. Elke zetel raakte herbekleed, de afzuigkap hersteld, de gang geverfd, de plafonds gewit en een simpele garage sale ontaardde in een extreem efficiënt ruil-, hulp- en deelsysteem dat het lokale OCMW overbodig maakte. Tien mensen verloren hun job, maar mijn man verkocht het concept wel voor een flinke som door aan het Antwerps stadsbestuur.

Die nacht zat ik op mijn van angst bevende handen na te denken. De week was nog maar halfweg, en ik dreigde ons nu al wankel gemaakt sociaal systeem mee te ondergraven. Die zeeën van tijd noopten tot een grondiger bestrijdingsmiddel.

Geschreven op papier

Van een Japans meester leerde ik betegelen met antieke keramiekscherven. Het vloeiend Japans pik je tussendoor op, de moeite zit 'm in die kopjes stukslaan op precies de gewenste breuklijnen, want die krengen kosten nogal wat. Ik zocht een onschuldiger tijdverdrijf. Doctoreren in de economie leek een veilige studie, omdat het nog meer binding met de realiteit mankeerde dan filosofie of cultuurmanagement. Het diploma haalde ik op een recordtijd maar kreeg ik niet geregeld zonder ingescande gegevens of e-reader. Ik had er mijn laptop best weer voor willen openen, maar die was tijdens de verbouwing van onze zolder naar een getrouwe replica van een van de kleinere Versaillessalons, gebruikt als kleine stutbalk tussen de paardenmestisolatie. Ik herinnerde me precies niet in welke muur.

Begrijp me goed, dat vod diplomapapier kon me niet zozeer schelen, ik zat er alleen verveeld mee dat ik nu glashelder zag waar zowel Hayeks als Keynes' antwoord op crisissurvival tekort schoot. De theorie van Marx had ik vervolledigd met een synthetisch vervolg op Das Kapital dat alle tegenstelling ophief. Ik wist hoe bazen en arbeiders het dankzij mijn revolutionaire edoch extreem simpele kunstgreep, wereldwijd zo belachelijk breed konden hebben dat rijkdom alle status zou verliezen, en de nouvelle elite zich zou moeten onderscheiden door de ecologische planetaire rijkdom om het authentiekst te restaureren.

En de wereld zou het nooit weten. Ik had het immers op papier geschreven, in plaats van het op mijn tijdslijn te posten.
's Avonds strekte en boog ik mijn hand. Er ontwikkelden zich spieren buiten die van vingers en pols. Vreemd, dacht ik, en checkte de spiegel. Inderdaad: ook de bochel van het gebogen schermturen was bijna verdwenen.

Een vreemde stoornis

Daar zaten we dan, the Man en ik. Verloren in ons tot klein paleis gerenoveerde woonst met prachtige zelfontworpen kleren rond onze stralend krachtige lijven. En die blije kinderen maar spelen. Lusteloos snackten we michelin-grade hapjes en keken we door het raam, waar hoogstens elk half uur iemand passeerde: de benen snel, de blik verankerd op de smartphone.

Hoe ontmoet je lotgenoten met zo'n vreemde stoornis? Via krantenadvertenties? Daarin staat hoogstens nog een nepvacature of twee, en wie er dood is. Tja. We waren wel een beetje begraven, als laatste der ontcyborgde Belgen.

Toen we hen een paar dagen later spotten in het park, begrepen we hoe loos dat gepieker was. Er viel niet naast te kijken. Net zoals wij waren ze niet schermbleek. Ze keken rond en praatten met mekaar. Ze wàren er vooral. Niet geabsorbeerd door hun scherm of vastgekluisterd aan een accu. Het was ontzettend onbetamelijk, en ons eigen schaamte smolt in de herkenning.

In onze wintertuin zaten we samen, ons koesterend onder de omgezette restwarmte van zonnepanelen en ondergrondse composttegelverwarming die mijn man snel had geïnstalleerd ter ere van hun komst. De buxussen geknipt in Venus van Milo- en Davidvorm – foute bewijzen van low-fi-nijverheid – negeerden ze genadig. We aten kersenclafoutis, dronken wijn en vlierbloesemlimonade. Ik was nog net nuchter genoeg om van de tinteling op mijn huid te genieten en vroeg me af of Boeddhistische internetartikels dit hadden bedoeld met “leven in het moment”. Hun en onze kinderen speelden wild lachend tikkertje. Sinds ze weer bewogen, struikelden ze nog zelden over hun eigen voeten.
Ik moet bekennen dat ik gelukkig was. Dat ik begreep wat de antieken van voor 1995 aan zo'n live leventje vonden.

Gelukkig is de tuin ommuurd. Niemand zal ons ontdekken.

(Celia Ledoux is schrijver en columniste.)
 

lees ook