"Ik heb veel hoop gezien bij de jongeren in Ruiselede"

Op 8 april 1965, exact 50 jaar geleden, trad de "wet betreffende de jeugdbescherming" in werking. Die moest kinderen en jongeren een betere bescherming bieden. Maar hoe is het nu gesteld met de bijzondere jeugdzorg in Vlaanderen? En wie zijn de jongeren die terechtkomen in instellingen zoals die in Ruiselede?
Gemeenschapsinstelling De Zande in Ruiselede.

In de loop der jaren is er hard gesleuteld aan het jeugdrecht. Sinds 1965 is er veel veranderd, zegt professor rechtsgeleerdheid Johan Put van de KU Leuven in "Hautekiet". "In de jaren 60 was het idee “one size fits all”: één type instelling -de rijksgestichten en de weeshuizen- met één type opvang. Jongeren kwamen daarin en moesten zich maar aanpassen."

"Mettertijd is er een veel grotere flexibiliteit gekomen, een grotere diversiteit in de mogelijke maatregelen. Men doet zijn best om elk verhaal apart te nemen, te kijken wat nodig is, en de hulpverlening daaraan aan te passen. Dat lukt niet altijd, maar in elk geval is de manier waarop we nu werken flexibeler en diverser, aldus Put, die eraan toevoegt dat de jongeren intussen ook meer inspraak hebben gekregen.

Wie zijn die jongeren?

Ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de wet op de jeugdbescherming verblijft kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen (foto) enkele dagen in het gesloten deel van de instelling in Ruiselede, inclusief de kamerdeur die 's nachts op slot gaat. In Ruiselede worden jongens geplaatst die een misdrijf hebben gepleegd of in een problematische opvoedingssituatie zitten.

"Er is niet één vastomlijnd profiel", zegt Vanobbergen in "De ochtend". "Dé jongere in Ruiselede bestaat niet. "Er zijn jongeren die hier twee weken verblijven en jongeren die hier een jaar wonen. Er zijn jongeren die er voor de zesde keer zijn en jongeren die er een eerste keer binnenkomen."

De jonge delinquenten waarover het dikwijls gaat in de media, die zijn er inderdaad in Ruiselede, zegt Vanobbergen. Maar hij ziet ook heel wat jongeren die hard gekwetst zijn in hun jeugd en die desondanks plannen maken voor de toekomst en ambitieus zijn. "Ik heb veel hoop gezien", zegt hij over zijn eerste dag in de instelling.

BELGA/VAN ASSCHE

"Verontrustende situatie"

"De reden (dat jongeren in de jeugdzorg terechtkomen, red.) is meestal niet dat ze bepaalde feiten hebben gepleegd, maar dat er een probleemsituatie is thuis of op school", voegt professor Put eraan toe. "Er zijn een 30.000-tal jongeren in de Vlaamse jeugdbescherming. In 90 procent van de gevallen is dat omdat er een "verontrustende situatie" is. De overige 10 procent zijn "moffers", jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd."

Volgens Vanobbergen moet de vraag centraal staan hoe je ervoor kan zorgen dat jongeren de gepaste opvang krijgen op hun maat. "Of dat nu voor twee weken is via een time-out of voor een langere periode. "Het is daarbij heel belangrijk om het evenwicht te bewaren tussen sanctionerende maatregelen en ondersteuning", zegt hij ook. De kinderrechtencommissaris benadrukt voorts de grote rol die onderwijs krijgt in de instelling in Ruiselede. Jongeren kunnen er ter plaatse een diploma of een getuigschrift behalen.

Nog werk aan de winkel

In "Hautekiet" op Radio 1 kwamen getuigenissen aan bod van jongeren en ouders die de problematiek aan den lijve hebben ondervonden. Hun ervaringen zijn niet altijd positief. Zo is er Xenia, die als minderjarige wegliep van thuis door problemen in het gezin en via het parket geplaatst werd in een instelling.

"Ik ben blij dat de jeugdzorg bestaat, maar achteraf had ik niet het gevoel dat de problemen in het gezin waren opgelost", zegt ze. "Er was een contextbegeleider en er waren gesprekken met mijn ouders apart en met mij. Maar ik had toch het gevoel dat dat naast elkaar liep en dat we geen stap verder kwamen. De begeleiding was niet op maat van ons gezin."

Volgens Put zijn er sindsdien (het verhaal van Xenia dateert van 10 jaar terug) heel wat inspanningen geleverd om de begeleiding meer "contextgericht" te maken, waarbij er dus meer aandacht is voor de ouders en de omgeving van de jongere. "Dat vraag tijd, maar er wordt werk van gemaakt."

Andere problemen waar mensen op wijzen, zijn het hoge aantal dossiers per begeleider, de wachtlijsten en het feit dat jongeren en ouders vaak onvoldoende voorbereid zijn op wat er op hen afkomt. Dat er voor de Vlaamse regering -want die is sinds de zesde staatshervorming bevoegd voor het jeugdrecht- nog werk is aan de winkel, is duidelijk.