Heerlijk heldere taal over Steve Stevaert - Walter Van Steenbrugge

Afgelopen week kreeg Jan Hautekiet in het Vlaams Parlement zijn finale voor drie maanden ‘Heerlijk Helder’. Herman De Croo suggereerde meteen een nieuw werkwoord: ‘hautekieten’, als synoniem voor duidelijk communiceren. Er ging in ‘Heerlijk Helder’ niet enkel veel aandacht naar de vorm van het taalgebruik, maar ook naar de inhoud, de informatieoverdracht. En laat nu net deze wake-upcall zich feestelijk verpakken tijdens een week waarin het drama rond Steve Stevaert zich voltrok. Hoe groot en cynisch toeval wel kan zijn. Of hoe een onduidelijke communicatie van Justitie Stevaert afhield van een fatsoenlijk verweer en hoe over basisrechten wordt gesproken, en vooral niet wordt gesproken. Enige uitleg en duiding is op zijn plaats, en best in klare taal. Ik doe alvast een poging.

De rol van de raadkamer

Als je in een strafrechtelijk onderzoek wordt betrokken, hetzij als mogelijk slachtoffer, hetzij als verdachte, krijg je op het einde van het onderzoek een brief. Deze brief kan u toegezonden worden door de Procureur des Konings, het hoofd van het Openbaar Ministerie, of door de griffier –een soort secretaris– van de Raadkamer. De Raadkamer is een rechtscollege dat achter gesloten deuren zetelt en dat bevoegd is om te beslissen wat het verder vervolg is van het gevoerde onderzoek. Ofwel is het onderzoek klaar en heeft het bezwaren opgeleverd ten laste van een persoon zodat een rechtbank –we noemen dit de bodemrechtbank– dient te oordelen over de schuld of de onschuld van een persoon, en in het geval van schuld welke straf die persoon dient te krijgen. De Raadkamer kan ook beslissen dat er aan de verdachte persoon, althans volgens het Strafwetboek, helemaal niets te verwijten valt, waarna de geviseerde persoon eenvoudigweg buiten iedere vervolging wordt gesteld. Een derde hypothese is dat het onderzoek best nog verdergezet wordt, omdat volgens die Raadkamer nog niet voldoende werd gespeurd naar eventuele elementen van schuld.

De raadkamer en het vermoeden van onschuld

De Raadkamer zetelt achter gesloten deuren, dus buiten iedere openbaarheid, precies om de privacy van de betrokkene(n) te beschermen en omdat op dat ogenblik nog alles in een onderzoeksfase zit en er nog geen proces rond schuld wordt gevoerd. Juristen noemen dit een logisch omhulsel van het vermoeden van onschuld. Je bent immers vrij van iedere strafrechtelijke schuld zolang je niet definitief door een bevoegde bodemrechter werd veroordeeld.

De bedoeling hiervan is dat mensen die het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijk onderzoek beschermd worden tegen vooroordelen, tegen een tè vroege besluitvorming dat een persoon zich effectief en bewezen schuldig zou gemaakt hebben aan een strafbaar feit.

Een onderzoek dient enkel om bewijzen te verzamelen, terwijl het alleen een rechtbank toekomt om te beslissen of deze bewijzen boven ieder redelijke twijfel volstaan om het misdrijf bewezen te achten en de verdachte te veroordelen en dus een sanctie op te leggen.

De mogelijkheid van opschorting van straf

Er is slechts één geval waarin de Raadkamer zich ook kan uitspreken over schuld, en dit is als de openbaarheid die dergelijke zaak later zou krijgen voor de rechtbank, de reclassering van de verdachte al te zeer zou aantasten. Het klassieke voorbeeld van deze laatste hypothese is de laatstejaarsstudent ‘rechten’ die zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en die in het geval hij voor de rechtbank zou moeten verschijnen, precies door die openbaarheid een te grote en bijkomende schade zou ondervinden. De rechtenstudent zou immers door de publieke terechtstelling in zijn later beroepsleven te veel problemen rond geloofwaardigheid en integriteit kunnen ondervinden.

Tegen die specifieke achtergrond kan de Raadkamer een opschorting van straf uitspreken, wat wil zeggen dat het misdrijf bewezen wordt verklaard, doch dat de betrokkene voor een bepaalde periode op proef wordt gesteld. Is deze persoon van onberispelijk gedrag tijdens die proefperiode dan wordt geen sanctie opgelegd.

Maar telkenmale wordt binnen de beslotenheid van de Raadkamer een debat gevoerd, dit wil zeggen alle partijen (het Openbaar Ministerie, het slachtoffer en de verdachte) krijgen het woord waarna de voorzitter van de Raadkamer als alleen zetelend rechter dient te beslissen.
Tot hier de theorie.

De theorie en de praktijk

Als het onderzoek wordt beëindigd, zou je er dus van mogen uitgaan dat je in heldere taal wordt gemeld wat er verder staat te gebeuren en wordt er best ook in diezelfde klare communicatie uitgelegd waarvan je exact wordt beschuldigd.

En hier knelt meteen voor een eerste keer het schoentje.
In geen enkele oproepingsbrief in dit land wordt op begrijpelijke wijze duidelijk gemaakt wat er precies aan de hand is na de afsluiting van een gerechtelijk onderzoek. Gebruikte juridische termen krijgen geen enkele toelichting, en bovenal weet je niet over welke strafrechtelijke feiten, gesitueerd naar tijd en ruimte, het gaat. De feiten worden niet vermeld en de juridische verstaanbare vertaling volgt evenmin. Enkel het nietszeggend dossiernummer en een handvol, voor de modale burger niet te verstane, technische begrippen, sieren de oproepingsbrief.

Het mag geen verwondering wekken als zou Steve Stevaert bij de ontvangst van de brief van de Brusselse Justitie geen kennis hebben gehad van de draagwijdte van die brief. Hij zal er mogelijk van uitgegaan zijn dat hij voor de Raadkamer werd opgeroepen ter afsluiting van die andere zaak, waarin hij al zou hebben vernomen dat hij volgens het Openbaar Ministerie buiten verdere vervolging zou kunnen gesteld worden. En dus niet wist dat datzelfde Openbaar Ministerie ook nog zijn verwijzing naar de rechtbank zou vragen, voor totaal andere feiten.

Dit is wellicht ook de reden geweest waarom zijn raadsman al evenzeer in de onwetendheid was over een ‘tweede’ zaak.

Zonder tegenspraak, zonder verdediging

Het verdere vervolg is nog dramatischer. Want blijkbaar verscheen de advocaat van Stevaert op de zitting van de Raadkamer, doch enkel voor die ene zaak waarin het Openbaar Ministerie geen verdere klachten meer opperde ten aanzien van Stevaert en bleef deze laatste zonder enig verweer wanneer de vermeende verkrachtingszaak werd opgeroepen.

En dus werd, als slotsom, Stevaert zonder enige vorm van tegenspraak naar de rechtbank verwezen. Als je weet dat in België het onderzoek, in tegenstelling tot het Angelsaksische recht, zowat volledig zonder tegenspraak kan verlopen, dan mag je besluiten dat Stevaert zonder enige verdediging naar de rechtbank werd doorgestuurd. En al evenmin de kans kreeg om binnen de beslotenheid van de Raadkamer de opproefstelling (de opschorting) te vragen.

Tot wat een onwaarschijnlijk slechte communicatie wel kan leiden.
Temeer als je hoorde hoe de media in de ochtend van die weinig witte, zeg maar zwarte, donderdag, berichtte over de zaak van Stevaert. Net alsof hij reeds voor verkrachting veroordeeld was.

En het geheim van het onderzoek?

Maar er was nog meer.
Een onderzoek is immers geheim. Wat betekent dat ter bescherming van de betrokken partijen (het slachtoffer en de verdachte) geen informatie aan het publiek mag worden verstrekt, tenzij mits toestemming van de onderzoeksrechter.

Deze laatste moet er als leider van het onderzoek over waken dat enerzijds zijn onderzoek wordt gevrijwaard, maar dat er anderzijds bij het publiek best geen speculaties ontstaan en men mogelijks toch beter iets kan communiceren, maar wel mits voldoende afscherming van de identiteit van de betrokkenen. Soms is dit een heel moeilijk evenwicht, maar vandaag is in België ieder evenwicht zoek.
De pers ligt voortdurend op de loer om als eerste, en liefst als meest sensationele en bloedigste, het geheim van het onderzoek te schenden want dat levert een prijs op van de redactie, pas dan ben je een goed onderzoeksjournalist. Niet de juiste menselijke accenten worden in artikels geprezen, maar de scoop, de flosh, als was informatiegaring een rit op de mallemolen.

Dat het doorzeven van het geheim van het onderzoek met aantasting van de fysieke of morele integriteit van de in het dossier genoemde persoon, strafbaar is met een gevangenisstraf van 8 dagen tot één jaar, daar zijn weinig journalisten bekommerd om. Het bronnengeheim van de Belgische journalist is in Europa het meest beschermd en dient als perfect schild voor onderzoeken die op zoek gaan naar het lek dat de journalist toeliet de informatiekraan al te vroeg en soms misdadig open te draaien.

Geen faire verdediging

Wie strafbare handelingen niet gesanctioneerd ziet doet vaak voort. Dat verklaart het gestaag en ongebreideld verhalen over de inhoud van geheime dossiers.

En dat gebeurde nu ook in de zaak Stevaert, zelfs nog nadat zijn verdronken lichaam uit het Albertkanaal was gehesen. Over de inhoud van het geheime dossier werd na de vondst van het lijk nog zonder veel verpinken verhaald in de radio- en tv-berichtgeving.
Nooit werd erbij gezegd dat Stevaert geen enkel verweer had gevoerd.
Misschien was dit te moeilijk geweest om uit te leggen. Maar het is meer waarschijnlijk dat een van de meeste belangrijke basisrechten in de rechtstaat, namelijk het recht op een faire verdediging, niet belangrijk werd geacht. Ook pers-ombudsman Naegels rept hier met geen woord over.

Het was uitgerekend een reclameboy, Guillaume Van der Stighelen, die enkele maanden geleden in ‘De zevende dag’ ervoor pleitte om op de schoolbanken de rechten en vrijheden van de mens uit te leggen als alternatief voor de ster van Bethlehem of voor de vele gaven van de profeet Mohammed.

In de zaak Stevaert werd de drek verkozen boven de toedracht.
Ook het Brusselse parket duidde niet en beperkte zich tot de loutere en koude melding dat Stevaert wel degelijk een brief had gekregen. Hun formele opdracht was vervuld, Justitie was en is dikwijls tevreden met enkel vorm.

En tenslotte roerden ook de sociale media zich, als stinkend vitriool door de riool.
Meer barbarij op één dag is nauwelijks denkbaar.
Hautekieten was er al helemaal niet bij. Schande.
 

(Walter Van Steenbrugge is strafpleiter.)
 

lees ook