We praten met de dieren - Jürgen Mettepenningen

Ik ben een fan van Planckendael. Fier bezitter van een abonnement, trek ik verschillende keren per maand naar het dierenpark. Gelegen in een gemeente die Muizen heet, bezoek ik er vooral de olifanten. Die reusachtige focus ligt aan mijn zoontje Mauro, die dol is op olifanten en neushoorns. Mooi zo, denk ik dan, hij ziet het in het leven groots!

Fabeltjeskrant

Ik vraag me wel eens af of het in zo’n dierenpark wel eens lijkt op de Fabeltjeskrant. Met dieren die allerlei zaken beleven. En praten met elkaar. Bijvoorbeeld over de bezoekers die ze die dag over de vloer hebben gekregen in het park. Lekker roddelen en gekscheren onder elkaar. En op het einde van zo’n roddelpraatje zeggen dat ze moeten opletten dat ze niet te veel op hun bezoekers mogen lijken, met al dat gepraat achter de rug van anderen en zo. Kijk, dat vind ik het fijne aan zo’n bezoek aan mijn vrienden de dieren: hen bezig zien en er van alles bij verzinnen. Eigenlijk is zo’n dierentuin tegelijk een verbeeldingspark. Voor groot en klein! Eerlijk gezegd word ik terug wat kind in Planckendael. Misschien daarom dat het vooral precies in dergelijk park zo klikt met mijn zoontje. Brothers in imagination…

Parking

Of dieren met elkaar praten, daar weet ik als theoloog niets van. Maar mijn zoon en ik praten alvast met hen. We proberen het zebrapaard naar onze kant te lokken, manen de giraf aan om te eten aan de bol stro die omhoog hangt, roepen naar de aap dat hij zijn zoektocht naar beestjes bij de andere aap gerust mag stopzetten om naar ons te kijken, enzovoort. Gezellige boel eigenlijk. En niemand verklaart je daar voor gek! Terug op de parking word ik al wat meer bekeken wanneer Mauro en ik een overvliegende ooievaar enthousiast aanspreken. De weg naar de parking is voor velen blijkbaar de weg van de onttovering: gedaan met verbeelding en met praten tot dieren, nu terug de werkelijkheid van ‘wat gaan we seffens eten thuis? Kip aan het spit?’

Slinger

Over Franciscus van Assisi wordt gezegd dat ook hij met de dieren praatte. Ze waren als het ware allemaal broeders en zusters van hem. In andere heiligenverhalen komen eveneens geregeld dieren voor. Sint Benedictus gaf bijvoorbeeld een raaf de opdracht om een vergiftigd stuk brood naar een plek te brengen waar niemand het zou kunnen vinden.

Heerlijke verhalen. Niet alleen willen ze de heiligheid van de betreffende mens voor het voetlicht plaatsen, er spreekt ook een grote eerbied uit voor dieren, zelfs een zekere gelijkwaardigheid, ook al is en blijft de verhouding tussen mens en dier asymmetrisch. Dieren als medewerkers, als medeschepsels, waarbij we geroepen zijn elkaar in de mate van het mogelijke het leven aangenaam te maken. Het lijkt wel het stadium vooraleer de slang haar slag kon slaan, al beslaat dat stadium in de bijbel slechts 1 pagina...

De slinger slaat soms volledig naar de andere kant door. Zo is het ronduit hemeltergend dat afgelopen week een paardenasiel aan de alarmbel moest trekken omdat er te veel paarden aan hun lot worden overgelaten en het asiel daardoor vol zit. Er is niets mis mee om een dier niet te kunnen verzorgen, maar haal het dan ook niet in huis! Daar heeft niemand plezier aan, integendeel.

Plezier

In een dierenpark kom je voor een moment van plezier. In deze paasvakantie zijn er heel wat mensen die naar Planckendael komen. Op sommige momenten zijn er meer mensen dan dieren, zo lijkt het wel als je de volle parking ziet. Fijn zo, zolang ik mijn zoontje maar niet uit het oog verlies. Het plezier zou snel afgelopen zijn! Iets zegt me echter dat ik hem zal vinden bij de olifanten. En anders vraag ik het die kolossen wel, al is het helemaal niet zeker dat ze me zullen antwoorden. Ik ben ten slotte geen heilige…

(Jürgen Mettepenningen is theoloog)

lees ook