Ouders doen het nooit goed - Celia Ledoux

“Later wil ik kindjes krijgen”, debiteert de kleuter. Zomaar, slenterend richting park. “Goed hoor,” zeg ik. “En je kan andere dingen doen. Schrijven zoals mama, voor iemand werken zoals papa. Schilder worden.”

Blahblahblah, en strategische blah bovendien. De kleuter kan urenlang bladen vol “kunst” kledderen. Een bekend schilderskennis vindt dat het kind talent heeft en ik voor begeleiding moet zorgen. “En niet door jou, want jij hebt géén talent.”, voegt hij eraan toe. Jongen, zelfs zonder subsidies zijn die kunstenaars een lomp zooitje. Zelf zie ik de kleuter graag hartchirurg of notaris worden. Ook ondankbaar en arrogant, wel bij machte hun ouders een leuk tehuis te betalen. Maar nee, het kind wil “alléén kindjes”. Hoe vaker die uitspraak komt, hoe meer ze naar rebellie tegen mijn gesuggereerde plannen klinkt.

Ah ja. Plannen heb ik. Dromen. Hersenschimmen die je als ouder beter weglacht. Je krijgt een kleutergarderobe nauwelijks gedicteerd, waag je toch niet aan hun toekomst.

We gaan zitten in het gras en dat stuk van Oscar Van Den Boogaert komt me weer voor de geest. Hij schreef over “gouden kinderen” en ouders met overspannen verwachtingen. Daarvan kwamen volgens hem al die aandachtsstoornissen: ouders wilden liever etiketjes dan ondergemiddelde kinderen. Hij bedacht dat op een terras, tussen – volgens hem klierig – spelende kinderen. Die gaf hij een uitbrander, hopend dat de ouders kwamen protesteren en hij ze ook op hun donder konden geven.

Trots? Ik zie dat zelden

Het schokte me een beetje, weet je. Negeer het, dacht ik. Mensen zeggen dat, meestal als ze geen kinderen (meer) in huis hebben. Blijkbaar een breed-menselijk gevoel. Vergeet het.
Maar dat stuk bleef mijn hoofd in schieten. Bij elke ouder, ten einde raad over een kind-met-gebruiksaanwijzing dreef het boven. En die kruis je vaak. Ons onderwijs eist dat je past en presteert. Veel ruimte voor zijsprongetjes rest er niet meer. De ouders zijn vaak wanhopig, aan het eind van hun Latijn, hopend op houvast bij een diagnose, tegelijk visceraal tegen het idee. Trots? Ik zie dat zelden.

De meeste ouders hoeven geen superkind. Asperger komt voor bij een aantal bedrijfspioniers, zelf hoop je op een kleine die doorsnee met blokjes keilt. Hoogbegaafdheid kan knap lijken, tot je hoogbegaafde zich dood verveelt en geen vriendjes maakt. Doe mij maar een kind dat meezwemt, denken ze – je eigen spruit is vanzelf speciaal.
Ik vraag me geregeld af hoeveel mensen dat stuk gekwetst had. Hoeveel eraan dachten na weer een avond, nét iets ingewikkelder dan in een doorsnee gezin.

Ik denk aan het stuk als de kleuter brult op de fiets of de baby langs een fontein waggelt. Mensen kijken dan afkeurend uit hun ooghoek, alsof ik, ravenmoeder, de hele dag verwaarlozend rampen uitdaag. (Mocht het meneertje uit mijn park meelezen: ik verzeker u dat ik ingrijp, en de kleuter gilt zelden.)
Oscar Van Den Boogaert keurde ook af. In de goeie oude tijd, vond hij, trokken volwassenen aan hetzelfde zeel. Vandaag gingen ouders in discussie met leerkrachten.
Over die goeie ouwe tijd vertellen mijn moeder en tantes soms. Ze moesten de klas schoonmaken omdat ze dat in hun groot gezin gewend waren. Ze werden op één september achterin in de klas gezet: het kind van de baron en de dokter waren vast slimmer. De nonnen sloegen hen op de vingers, hun ouders deden het over als ze ervan hoorden. Een man viel hen lastig? Dat hadden ze zelf gezocht. Waren viespeuken in de goeie ouwe tijd niet graag priester, omdat een kind aanranding vast verzon of uitlokte? Tja, volwassenen trokken wél aan hetzelfde zeel.

Libertair

Ik trek voor een zelfde zeel mijn neus niet op, hoor. Opvoeding is meer dan de afstraffing en theoretische kritiek die mensen zo afgaan – een draagdoek houdt je kind klein, stappen is gevaarlijk, in buggy's zijn ze zielige papzakjes. Publiek opvoeden betekent ook hulp. Als een kind een crise krijgt, kan je afkeurend kijken. Als je het kind afleidt wordt het stil, én zijn de ouders dankbaar. Sinds Stijn Meuris tegen een telefonerende vrouw met krijsende baby brulde (wie weet hoe belangrijk dat telefoontje haar was) durf ik nauwelijks een letter typen met kinderen in de buurt, uit vrees voor ontaarde moeder te worden uitgescholden als er een op zijn gezicht valt. Terwijl ze dat even probleemloos doen als ik wél kijk.

Er zijn slechte momenten. Ik heb die, mijn kinderen hebben die, eh, luider. Ik betreur dat, u onwillig passant ook. Oscar Van Den Boogaert wist zelfs waaraan het lag: een libertaire opvoedingsstijl.
Kijk, dat was een opluchting. Laat ik u een geheimpje verklappen. “Libertaire opvoedingsstijl” is geen pedagogische vakterm. Het is mediacode voor: “ik heb me niet ingelezen, volg de strekking dat opvoeding vandaag laks is, en ik ga daarover nu verontwaardigd doen”.

Ontaarde moeder

Handig duidelijk weetje is dat, vindt u niet? U kàn uit ouderschapsstijlen kiezen. Daar zijn uitstekende boeken over, er duiken fijne stukken op over onvoorwaardelijk ouderschap, over democratisch ouderschap boeken volgeschreven. Jammer dat Oscar Van Den Boogaert die niet kent, anders had hij zijn koe legitiemer kunnen slaan. U kan zich verdiepen in voors en tegens van strafstoeltjes en beloningen. U kan de theorie zelfs aan uw laars lappen en uw simpele best doen. Maar als u “libertaire opvoeding” leest in een stuk, kan u zijn onderbouwing met een korrel zout nemen.

Ik lig in het gras achter het museum, me af te vragen of ik boze blikken zonder onderbouwing minder erg vind. De kleuter plakt koningsstickers, al vond ik de educatiever boekjes met historische kunstmotieven leuker in de museumshop. In de expo zelf was de baby op een totempaal afgekoerst, wat mij tot een gezwinde onderscheppingsoperatie noopte. Een expo lang cirkelden daarna suppoosten om ons heen. Hadden ze intussen “kiekeboe” met de baby gespeeld, dan had die minder gepiept en ik minder gehannest. Maar eerlijk: dat soort inleving komt alleen van mede-ouders.
De baby haalde de schade nu in met oergeluiden, rennen, een occasioneel ongewild stofbad met zulke schattige huiltjes dat omstanders spontaan van “aaahhhh” en ontaarde moeder gingen denken.

Ik vond het niet erg, en nam me voor minder aan dat stuk te denken. Ik weet het toch zelf? Doe ik het schitterend? Wellicht “redelijk”. Heb ik dromen, ik vergeet ze met graagte. Ik ben dol op hen. Misschien zìjn ze wel gouden kinderen: ik hou onvoorwaardelijk van ze. Ik probeer te gidsen tot ze hun eigen mens worden. Ik hoop op geluk en voorspoed. Is dat erg? En welk alternatief is er voor die onvoorwaardelijke liefde?

“Prima”, zeg ik aan de kleuter. “Krijg jij maar alléen kindjes. Dan word ik fijn oma.” “Ja fijn”, zegt de kleuter al plakkend. “Dan trouw ik met de baby.”

Zie je wel? Wij verguisde ouders doet het nooit voor iedereen goed. Maar sommige grenzen, die stellen we echt wel.

(Celia Ledoux is columniste en auteur.)

lees ook