Normen en waarden in de sport - Johan Braeckman

Blijkbaar heeft verandering ten goede vaak een zetje nodig van iemand die iets fout doet. Elk nadeel heeft zijn voordeel, zoiets. De heisa rond Willem Elias scherpt het bewustzijn over vrouwonvriendelijke uitspraken aan en de Oostendse jeugdtrainer die een speler een t-shirt liet dragen met daarop “lul van de week”, inspireert de Vlaamse Trainersschool tot een campagne over ethiek in de sport. Het is niets te vroeg.

Omgaan met verlies en winst, en met elkaar

De Maakbare Mens vzw, werkzaam rond diverse ethische kwesties, maakte reeds in 2008 van sport haar jaarthema, onder de noemer “Stilstaan bij bewegen, doordenken over sport”. Er werd bewust niet op de dopingproblematiek gefocust, omdat het in de media en bij het brede publiek vaak lijkt alsof er niets anders ethisch relevant is in de sport. Maar sport roept zoveel meer morele vragen op naast die omtrent het gebruik van al dan niet terecht verboden middelen.

Sport gaat bij uitstek over maakbaarheid, van het lichaam uiteraard, maar veel meer nog van de waarden en normen waarmee men in het leven staat, van de wijze waarop men omgaat met winst en verlies, geluk en tegenslag en hoe men sociale regels respecteert en in staat is tot zelfcontrole. Sport kan een fundamenteel middel zijn om jongeren hun moreel kompas te oriënteren, om het beste uit zichzelf te halen en om hen tolerantie en levensvreugde aan te leren. Bovendien kan sport er ook voor zorgen dat men op een zeer directe wijze andere mensen, vaak met erg uiteenlopende achtergronden, leert kennen en respecteren.

Het immorele is nooit ver weg

Ik twijfel er niet aan dat sport dit alles reeds bij velen heeft teweeggebracht.
Maar zoals in M.C. Eschers prent waarin engelen en duivels in elkaar lijken over te vloeien, is ook in sport het immorele nooit ver weg. Zowel de atleten als hun trainers zijn lang niet altijd lichtende voorbeelden die het navolgen waard zijn. Topvoetballers, om een voor de hand liggend voorbeeld te kiezen, zijn vaak huurlingen zonder loyauteit, die met hun absurd aantal miljoenen niets beter weten te doen dan er een luxewagenpark mee aan te leggen of ze te vergokken.

Sommigen onder hen volgen op het veld, noch ernaast de elementaire regels van wellevendheid. Alleen al het feit dat het aanvaardbaar is dat spelers “professionele fouten” maken, geeft aan dat er iets verknipt is in de wereld van het voetbal. Van de trainers, mannen die toch al wat ouder zijn, zou men beter mogen verwachten, maar meerdere ervan gedragen zich als hysterische schreeuwlelijkerds, die geen enkele beslissing van de scheidsrechter aanvaarden behalve als ze in het voordeel van de eigen ploeg is. Mensen zijn van nature reeds geneigd om zich te identificeren met een groep en zich vervolgens af te zetten tegen andere groepen. Is het, in acht genomen de heersende voetbalcultuur, verwonderlijk dat het voetbal het hooliganfenomeen creëerde en blijkbaar chronisch geplaagd wordt door racisme, spreekkoren en geweld?

Uiteraard gaat het er in andere sporten gelukkig vaak anders en veel beter aan toe. Het is vreemd dat er niet meer wetenschappelijk onderzoek bestaat over de verschillen tussen voetbal enerzijds, en pakweg atletiek anderzijds op ethisch vlak. Wat verkies je voor je kind, dat het een voetballer wordt met een contract bij een Europese topclub of een atleet die op hoog niveau de tienkamp beoefent? En waarom? De antwoorden kunnen leerzaam zijn.

Van spelletje naar oorlog

Een van de kwesties waarop de campagne van De Maakbare Mens wees, is de overdreven aandacht voor competitiviteit in de huidige sport. Het lijkt alsof sport niet kan bestaan zonder winnaars en verliezers. Sport zonder competitie, luidt de redenering, is louter lichaamsbeweging. Maar waarom zou dat kloppen? Kinderen doen vaak aan sport zonder het sport te noemen. Ze spelen, vinden ter plekke regels uit voor hun spel en beleven gewoon een mooie tijd. Niemand klopt zich op de borst, niemand wordt vernederd en het risico op blessures is veel kleiner dan in competitiesport.

Misschien is het dat wat de hedendaagse, extreem gemediatiseerde en vercommercialiseerde sporttakken verloren zijn: het pure spelelement. Ook voetbal is begonnen als een spelletje, maar ergens in de loop van zijn geschiedenis, gaf Rinus Michels al aan, werd het oorlog. En oorlogen, al kunnen ze uitzonderlijk ook rechtvaardig zijn, zijn altijd smerig.
 

(Johan Braeckman is filosoof aan de Univeriteit Gent.)

lees ook