Armeense vrouwen uit Sivas ( Centraal-Anatolië) in traditionele klederdracht.

De wortels van de Armeense genocide

De moord op zowat een miljoen Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog was een geplande en goed voorbereide operatie. Maar de oorzaken lagen diep en hadden te maken met de moeilijke positie van de christelijke minderheden in het Ottomaanse Rijk en de opkomst van het nationalisme bij de volkeren op de Balkan en in Klein-Azië.

Eeuwenlang werden de christelijke minderheden in het Ottomaanse Rijk, zoals in alle islamitische staten, gediscrimineerd. Vanaf het midden van de 19de eeuw startte echter binnen dat Rijk een hervormingsbeweging waarbij christenen en moslims als volwaardige burgers werden beschouwd. Tenminste in theorie.

Die hervormingen werden immers opgelegd van bovenaf, en dan nog onder druk van het buitenland. Zeer veel moslims konden die gelijkstelling moeilijk aanvaarden. Dit leidde tot toegenomen haat en wantrouwen jegens de christenen, die af en toe uitliep op lynchpartijen of pogroms.

De situatie van de christenen valt een beetje te vergelijken met die van de zwarten in de Verenigde Staten, die na de afschaffing van de slavernij wel rechten kregen, maar daardoor het slachtoffer werden van haat en discriminatie.

Buitenlandse beschermheren

Die haat werd nog versterkt omdat de Europese grote mogendheden traditioneel bescherming boden aan de christelijke minderheden.

Zo beschermde Frankrijk al lang de katholieken in het Ottomaanse Rijk. Rusland probeerde hetzelfde te doen voor de Grieks-orthodoxen en de Armeniërs. Ook Groot-Brittannië nam grote groepen christenen onder zijn hoede.

Deze minderheden kregen daardoor allerlei voorrechten, op het gebied van rechtspraak en belastingen. Die bevoorrechte positie maakte hen nog meer gehaat bij de moslims.

De buitenlandse bescherming werd door leidinggevenden bovendien als een bedreiging beschouwd. Dat gold vooral voor de Armeniërs, een christelijk volk dat vooral in de Kaukasus en in het oosten van Klein-Azië leefde.

Karikaturen van sultan Abdul Hamid II ( 1842-1918). Hij werd bijgenaamd de Bloedige of Rode Sultan, omdat tijdens zijn regering de eerste grote vervolging van Armeniërs plaatsvond, tussen 1891 en 1893. Semi-officiële Koerdische milities brachten zo'n 30.000 Armeniërs om het leven.

In 1905 ontsnapte Abdul Hamid aan een bomaanslag van een radicale Armeense groep, waarbij 30 doden vielen.

Ottomaans Rijk, niet Turks

Hoewel de Turken de dominerende bevolkingsgroep in het Ottomaanse Rijk vormden, speelde de eigen Turkse identiteit eeuwenlang weinig of geen rol.

De dominerende cultuur was niet zozeer Turks, dan wel “Ottomaans”: een mengsel van Turkse, Arabische, Perzische en Griekse invloeden. In het Ottomaanse Rijk werden de inwoners ingedeeld qua godsdienst.

Binnen de islamitische meerderheid werd officieel geen onderscheid gemaakt tussen Turken en andere moslims: Arabieren, Koerden, Albanezen, Bosniërs…. De Turkse taal werd zelfs niet op school aangeleerd.

Deze kaart toont in het blauw de spreiding van de Armeniërs in Klein-Azië en de Caucasus voor 1915.

Turks nationalisme

Toen er in de tweede helft van de negentiende eeuw liberale hervormingen werden ingezet, hoopten sommige verlichte kringen dat het Ottomaanse Rijk zou evolueren naar een democratische, multiculturele staat, waar iedere bevolkingsgroep een volwaardig deel van zou vormen.

Dit stond echter haaks op het toenemend nationalisme bij de volkeren op de Balkan en ook bij de Armeniërs. Op het einde van de negentiende eeuw ontstond een beweging die het Turks karakter van het Ottomaanse Rijk wilde versterken. De Turken moesten een leidende rol in het Ottomaanse Rijk opnemen. Andere volkeren moesten die rol erkennen en zich zo nodig assimileren.

Jong-Turken

Dit Turks nationalisme kreeg vorm in de beweging van de “Jong-Turken” (officieel het Comité voor Eenheid en Vooruitgang), die na 1900 sterk aan invloed wonnen, vooral onder de legerofficieren. 

De Jong-Turken raakten er meer en meer van overtuigd dat het Ottomaanse Rijk alleen kon overleven als een cultureel homogene natie, en dat kon alleen maar een Turkse natie zijn. Niet-Turkse minderheden moesten worden geassimileerd of moesten vertrekken. Van uitmoorden werd nog niet gesproken.

Om de Turkse natie te versterken droomden de Jong-Turken ook van het ontwikkelen van een welvarende Turkse middenstand die de economie van het Rijk zou beheersen. Om dat te bereiken, werd gedacht aan het massaal onteigenen van Grieken en Armeniërs.

De Armeniërs hadden - en hebben - immers de reputatie rijk en welvarend te zijn. Dat was zeker zo voor een stedelijke elite die handel en nijverheid domineerde, maar de meerderheid van Armeniërs op het platteland was arm en achtergesteld.

Pamflet van de Jong-Turken met als slogan " Lang leve het vaderland, lang leve de natie, lang leve vrijheid". Opvallend is dat de tekst er ook in het Grieks staat. Zeker in de beginfase sloot de beweging het samenleven van de volkeren in het Ottomaanse Rijk niet uit.  De foto is van Enver Pasja, een van de leiders van de beweging, en als minister van Oorlog mee verantwoordelijk voor de genocide.

Balkanoorlogen

Drie gebeurtenissen zouden vanaf 1912 de aanloop naar de volkerenmoord vormen.

Vooreerst waren er de Balkanoorlogen (1912-1913), waardoor het Ottomaanse Rijk het grootste deel van zijn bezittingen in Europa verloor aan de christelijke Balkanstaten. Deze catastrofe zorgde voor veel bitterheid bij de Turken en deed het ressentiment jegens de christelijke volkeren nog toenemen, te meer daar er in die verloren gebieden etnische zuiveringen plaatsvonden.

Honderdduizenden Turken en andere moslims uit de Balkan vluchtten naar Klein-Azië. De Ottomaanse regering wilde hen bij voorkeur vestigen in die gebieden waar veel Armeniërs woonden, wat de spanning nog deed toenemen.
 

Plannen voor opdeling Ottomaanse Rijk

Vrijwel meteen na de Balkanoorlogen begonnen de grote mogendheden plannen te maken om de rest van het zwaar gehavende Ottomaanse Rijk onder hun invloed te brengen. De bescherming van de Armeniërs tegen verdere vervolgingen speelde daar een grote rol in.

Begin 1914 werd een akkoord gesloten waarbij de provincies met een grote Armeense bevolking onder buitenlands toezicht werden geplaatst. Dit moest het begin vormen van de opdeling van het rijk onder de mogendheden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog belette de uitvoering van dit plan. Maar Turkse nationalisten beschouwden hierdoor de “Armeense kwestie” als een dodelijke bedreiging voor hun land.

Armeense vrijheidsstrijder

Ten slotte was er de Turkse deelname aan de Grote Oorlog, vanaf november 1914. Daarbij werd in de eerste plaats strijd gevoerd met de Russen in de Kaukasus.

De Russen probeerden de Armeniërs aan hun zijde te krijgen, wat de Ottomaanse regering maar al te goed besefte (overigens probeerden Turkse agenten de Turkssprekende volkeren in het Russische Rijk in opstand te doen komen). Daardoor werden de Armeniërs helemaal verdacht.

In de winter van 1914-15 liep het Turkse leger een zware nederlaag op tegen de Russen in de Kaukasus. Die nederlaag en onlusten in Armeens gebied werden toegeschreven aan het verraad van de Armeniërs.

Voor de Turkse autoriteiten was dit de uiteindelijke aanleiding om de deportatie van de Armeniërs te bevelen. Maar de redenen voor een “oplossing van de Armeense kwestie” gingen dus veel verder.

Armeniërs worden in 1915 afgevoerd door Ottomaanse troepen

"Doelstelling bereikt"

Het mag cynisch klinken, maar de Armeense genocide heeft geleid tot de realisatie van de doelstellingen van de Jong-Turken.

Er kwam ruimte vrij voor de Turkse vluchtelingen uit de Balkan. Er ontstond inderdaad een groep welvarende Turken, die zich de Armeense eigendommen had kunnen toe-eigenen. En het verdwijnen van de Armeniërs uit Klein-Azië, aangevuld met het vertrek van de Griekse bevolking, zorgde ervoor dat Turkije een min of meer homogene natie kon worden.

Zonder dat zou Kemal Atatürk in 1923 wellicht nooit de Republiek Turkije hebben kunnen uitroepen, ook al was hijzelf niet betrokken in de Armeense genocide. Veel Turken die zich verrijkt hadden aan de Armeense bezittingen, zouden nadien trouwe supporters van Atatürk worden.

Merkwaardige propagandatekening van de Amerikaanse kunstenaar George Hand Wright uit 1917, die het oorlogsleed van Armenië en België versmelt.  De titel is  "Al die doden van België en heel die grote processie van gevallenen in Armenië - wat als heel die menigte nog zou leven?". Een Duits officier probeert een leger van geesten dat op hem afkomt af te weren. De geesten dragen een Armeense en Belgische vlag.