Meest recent

    De ondergang van de Lusitania

    Op 7 mei 1915 bracht de Duitse onderzeeër U-20 de Britse oceaanreus Lusitania tot zinken met één torpedo. Het schip zonk in minder dan 20 minuten. Bijna 1.200 mensen kwamen daarbij om. De ramp leidde tot zware protesten in de Verenigde Staten.

    De Lusitania was een schip van de befaamde Britse rederij Cunard Line, die later de Queen Mary en de Queen Elizabeth zou laten bouwen. Het schip voer geregeld van Liverpool (Engeland) naar New York en terug.

    Toen de Lusitania in 1907 in de vaart kwam, was het in alle opzichten een buitengewoon schip. Met zijn 240m lengte was het toen niet alleen het grootste, maar ook het snelste passagiersschip tot dan toe.

    De Lusitania in de haven van New York

    Zijn 1 meter langer zusterschip Mauretania, zou het kort daarna nog overtreffen. De snelheid was te danken aan revolutionaire stoomturbines, de grootste die tot dan toe waren gebouwd.

    Het beschikte als een van de eerste passagiersschepen over draadloze telegrafie en elektrische liften. Het kon ook veel meer passagiers vervoeren dan welk eerder schip, en had bijzonder luxueuze ruimten voor eerste klasse-passagiers.

    Een van de eetzalen voor eerste klasse-passagiers

    Bij de Britse marinereserve

    Vanwege de moordende concurrentiestrijd in de trans-Atlantische passagiersvaart waren de Lusitania en de Mauretania gebouwd met financiële steun van de overheid.

    De Britse regering wilde voorkomen dat de Cunard Line in handen kwam van een grote Amerikaanse multinational, die al de controle had verworven over verscheidene andere grote rederijen. In ruil voor die staatssteun werden beide schepen uitgerust om in geval van oorlogstijd als hulpkruiser te dienen.

    Zo kreeg de Lusitania speciale voorzieningen voor in oorlogstijd, zoals een geheime ruimte om munitie te vervoeren. Het schip zou ook varen onder de blauwe vlag van de Britse marinereserve, terwijl gewone Britse koopvaardijschepen een rode vlag hadden.

    Lusitania gewapende hulpkruiser

    Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de Lusitania opgeëist als gewapende hulpkruiser. Zoals andere oorlogsschepen werd het helemaal grijs geschilderd. Bedoeling was het eventueel te gebruiken voor transport van troepen of gewonden.

    Maar toen na enkele maanden bleek dat de trans-Atlantische routes niet ernstig bedreigd werden door de oorlog, werd besloten het opnieuw voor commercieel gebruik toe te laten. De Lusitania kreeg haar oude kleuren terug en begon opnieuw als passagiersschip te varen.

    De Lusitania voor de Ierse kust

    "Op eigen risico"

    Intussen werd de oorlog op zee steeds grimmiger. Begin 1915 begonnen Duitse onderzeeërs ook passagiersschepen aan te vallen. Dat gebeurde nog wel volgens de geldende regels van het oorlogsrecht: bemanning en passagiers kregen de gelegenheid het schip te verlaten voordat het werd vernietigd.

    Omdat de zeeblokkade van de Britse marine steeds strenger werd, en in sommige aspecten het internationaal recht overtrad, verklaarde Duitsland in februari 1918 de wateren rond de Britse eilanden tot oorlogszone.

    Toen Britse koopvaardijschepen de raad kregen om in de oorlogszone de vlag van een neutraal land aan te vallen – een schending van het oorlogsrecht - kondigde Duitsland aan dat alle geallieerde schepen in het gebied voortaan zonder waarschuwing konden worden aangevallen.

    In die omstandigheden vertrok de Lusitania op 1 mei 1915 uit New York voor zijn 202e oversteek van de oceaan. Enkele dagen daarvoor was in tientallen Amerikaanse kranten een advertentie verschenen, waarin de Duitse ambassade waarschuwde dat reizigers die door de oorlogszone op Britse en geallieerde schepen zouden varen, dat “op hun eigen risico” deden.

    De ramp

    Op 7 mei 1915 voer de Lusitania ten zuiden van Ierland toen ze in het oog kwam van de Duitse onderzeeër U-20, die in de voorbije dagen al een viertal schepen in deze buurt had doen zinken.

    De Lusitania was dan ook op haar hoede en aan boord waren allerlei veiligheidsmaatregelen genomen. De kapitein voer dichtbij de Ierse kust in de veronderstelling dat de kans op een aanval daar kleiner was.

    De U-20 en andere Duitse duikboten in de haven van Kiel ( Library of Congress)

    Om 14.10 uur lokale tijd schoot de U-20 vanop 700m afstand een torpedo af. Het schip werd in het midden aan stuurboord getroffen. Kort daarop volgde een nog krachtigere ontploffing. De oorzaak van die tweede explosie is nooit helemaal duidelijk geworden.

    De kapitein probeerde nog koers te zetten naar de Ierse kust, maar de machines vielen al snel stil. Na een paar minuten gaf hij bevel het schip te verlaten.

    Hoewel de reddingssloepen klaar stonden om te water worden gelaten, lukte dat slechts voor 6 van de 48 sloepen. Doordat het schip slagzij maakte, konden de sloepen aan één kant niet worden neergelaten.

    Bovendien zonk het schip bijzonder snel. 18 minuten na de eerste explosie verdween de Lusitania onder de golven.

    Het zinkende schip had nog een SOS kunnen uitzenden en de hulp kwam meteen op gang, maar het duurde enkele uren voor de reddingsschepen ter plaatse waren. Opvarenden die al die tijd in het koude water (11 graden) hadden gelegen, overleden meestal aan onderkoeling.

    Kapitein Turner werd bewusteloos uit het water gehaald, maar overleefde het. In totaal konden 764 mensen levend aan wal worden gebracht, waarvan er 3 in de daaropvolgende dagen overleden.

    Volgens de meest waarschijnlijke gegevens waren er op het moment van de ramp 1.959 passagiers en bemanningsleden aan boord, zodat er in totaal 1.198 doden vielen. Van 885 slachtoffers zijn de lichamen nooit teruggevonden.

    Onder de doden waren er nogal wat bekende Britten en Amerikanen uit de high society en de culturele wereld. Er was ook een bekend Belgisch slachtoffer : Marie Depage-Picard, de vrouw van de befaamde chirurg Antoine Depage, die het veldhospitaal L’Océan in De Panne leidde. Ze was naar de Verenigde Staten gereisd om geld en materiaal in te zamelen voor het hospitaal.

    Gemeenschappelijk graf voor 66 slachtoffers van de ramp nabij het Ierse stadje Queenstown

    Verontwaardigde reacties

    De verontwaardiging in Groot-Brittannië en andere geallieerde landen was groot. De geallieerde propaganda schilderde het kelderen van het reuzenpassagierschip af als de zoveelste daad van Teutoonse barbarij.

    In de Verenigde Staten, toen nog neutraal, werd woedend gereageerd. Onder de doden waren er immers 128 Amerikaanse staatsburgers. De geallieerden hoopten dan ook dat de VS aan de oorlog zouden deelnemen.

    De Amerikaanse president Woodrow Wilson, wilde niet zover gaan, maar waarschuwde Duitsland dat de VS dergelijke acties niet meer zouden aanvaarden.

    Duitsland bindt in

    Duitsland reageerde dat de Britse blokkade tegen Duitsland illegaal was en veel meer onschuldige burgers trof dan de doden van de Lusitania. Duitsland had het recht de Lusitania aan te vallen, want ze was een Britse hulpkruiser en zou bovendien “grote hoeveelheden oorlogsmateriaal” hebben vervoerd.

    De Britten merkten op dat het schip niet gewapend was. Volgens de rederij waren er aan boord 4,2 miljoen geweerpatronen en 1.250 lege granaathulzen, maar dat was niet officieel geklasseerd als munitie. Dat transport was volkomen legaal en aangegeven bij de Amerikaanse douane.

    President Wilson veegde de Duitse argumenten van tafel en eiste dat Duitsland zou ophouden om onaangekondigd koopvaardijschepen aan te vallen. Hij waarschuwde voor de gevolgen als het nog zou gebeuren. Duitsland bond in. Na veel aandringen wist kanselier von Bethmann Hollweg de Duitse keizer hiervan te overtuigen.

    Op 9 september kregen de U-boten het bevel om neutrale schepen voortaan te behandelen volgens het geldende oorlogsrecht. Passagiersschepen - ook van een vijandig land - mochten helemaal niet meer worden aangevallen.

    Voor Wilson was het incident daarmee gesloten. Maar zijn waarschuwing was duidelijk. Toen Duitsland begin 1917 een onbeperkte duikbotenoorlog begon, wist het dat de Amerikanen de oorlog zouden verklaren. Hetgeen ook gebeurde.

    Familieleden wachten bij het kantoor van de rederij Cunard Line op de namenlijsten van overlevenden van de ramp. Links een overlevende.

    Controverse en complottheorieën

    Over de precieze omstandigheden van de scheepsramp werd achteraf heel wat gespeculeerd.

    Velen vonden het vreemd dat zo’n groot schip zo snel kon zinken na slechts door één torpedo te zijn getroffen. Vooral de tweede explosie zorgde voor veel speculaties. Experts waren er erover eens dat de 4 miljoen geweerpatronen aan boord niet die ontploffing hadden kunnen veroorzaken.

    Eerst nam men aan dat twee torpedo’s het schip hadden getroffen. Dat was ook de conclusie van het officieel Brits onderzoek naar de ramp. Maar uit het logboek van de duikboot en alle gegevens aan Duitse zijde blijkt dat de U-20 slechts één torpedo heeft afgevuurd.

    Sommigen veronderstelden dat die tweede torpedo geheim werd gehouden, of dat er een tweede onderzeeër in het spel was, maar dat lijk wel heel vergezocht.

    Nog tijdens de oorlog werd het verhaal verspreid dat de Duitsers zelf explosieven aan boord van de Lusitania hadden gebracht. Die moesten door een tijdsmechanisme al op 5 mei ontploffen, maar dat gebeurde niet. De schok van de torpedo van op 7 mei deed echter de bommen ontploffen.

    De waarschuwing van de Duitse ambassade zou moeten aantonen dat de Duitsers op voorhand wisten dat het schip zou vergaan. Een andere aanwijzing daarvoor was een (nogal satirische) herdenkingspenning van het gebeuren die een Duitse graveur kort nadien had gemaakt.

    Die medaille werd snel wereldberoemd. Daarop stond de datum “5 mei 1915”. Alsof de medaille eigenlijk voor die datum was gepland… Toch lijkt de graveur zich gewoon van datum te hebben vergist.

    Herdenkingspenning van de Duitse graveur Goetz

    Stoommachine waarschijnlijk ontploft

    Ernstiger waren de veronderstellingen dat de Lusitania inderdaad in het geheim springstoffen vervoerde, die als gevolg van de torpedo-inslag de tweede explosie veroorzaakte. Die geheime lading zou dan onder een andere naam zijn vervoerd.

    Zo werd opgemerkt dat er volgens de documenten een lading boter en spek aan boord was, die niet in een koelruimte werd vervoerd… en waarvoor later ook de verzekering niet werd opgevraagd.

    Deze speculaties zijn het werk van auteurs die na de oorlog allerlei feiten ontdekten die erop wezen dat de Britse overheid iets te verbergen had. Zo zouden getuigen onder druk zijn gezet om te verklaren dat er twee torpedo’s waren geweest.

    Zelfs kapitein Turner, die aanvankelijk van één torpedo sprak, wijzigde later zijn verklaring. Ook zouden bepaalde documenten over de laatste reis van de Lusitania nooit zijn vrijgegeven of spoorloos zijn verdreven.

    Nog meer gezocht is de theorie dat de Britse regering de Lusitania moedwillig in gevaar zou hebben gebracht in de hoop ze te torpederen. Zo kreeg het schip in de oorlogszone instructie om langzamer te varen, terwijl zijn grote snelheid hem juist minder kwetsbaar zou hebben gemaakt.

    Een geheime lading springstof aan boord zou de ramp moedwillig hebben vergroot. De toenmalige minister van Marine Winston Churchill zou op de hoogte moeten zijn geweest. Dit soort theorieën doet het in sommige kringen nog altijd goed.

    Er bestaat zelfs een speciale website over. Maar echte bewijzen ontbreken. Ze zijn even ongrijpbaar als de complottheorieën over 11 september of de moord op president Kennedy…

    Volgens recent onderzoek op het wrak van de Lusitania is de tweede explosie waarschijnlijk een ontploffing van de stoommachine geweest. De torpedo veroorzaakte een gat waardoor het water meteen in de machinekamer liep. Overigens zou het schip al ten dode zijn opgeschreven door de inslag van de torpedo. De tweede explosie heeft hoogstens de ondergang versneld.