Schrijvers sterven niet - Aya Sabi

Fietsen. Tegen alle winden en alle winters die tussen je botten kropen, onder de gloeiende zon en tijdens een herfst zonder bladeren aan de bomen. Heuvel op. Over het stille treinspoor. Langs het beekje en de hemelse zwanen. Heuvel af. Geen tijd om madeliefjes te plukken en een bloemenkrans te maken. Buiten adem. Trappen op. Door de schuifdeur. De hoge hal met het standbeeld. Trappen af. Ik was er. Eindelijk. Mijn dag was goed en alle dagen die zouden volgen.

Ik ademde letters en wandelde door de steegjes van oude en nieuwe verhalen over koningen en herders, over melkmeisjes en bedienden. In de bibliotheek van de stad waar ik in het rijksregister ingeschreven was, kreeg mijn bestaan pas zin. Mijn kleine kinderhanden waren ervaren. Mijn ogen dwaalden langs harde en zachte kaften tot ik mijn blik liet rusten en het boek dat mijn kinderleven zou veranderen uit het rek nam. Ieder boek veranderde mijn kinderleven. Of toch bijna. Ik wist niets van goede en slechte boeken. Ik las alles.

De grotemensenwereld was buiten en ik zette mijn tent op een vlakte in Niemandsland, waar iedereen mocht binnenkomen en blijven zolang hij wilde. De jaren verstreken en de lucht werd eerst vochtig, daarna licht, droog, grijs en opnieuw vochtig, maar ik zat nog steeds waar ik zat, in kleermakerszit op mijn bed. De buitenwereld ritselde zacht.

Maar toen moest ik toch eens mijn raam opendoen. De scharnieren kraakten en een frisse bries dreef naar binnen. Op het eerste gezicht was alles gewoon. Daarom opende ik mijn raam nog meer en stak mijn hoofd naar buiten. Maar dat had ik nooit mogen doen. De mussen waren uitgestorven. Het was verdacht stil. Ons vogelhuisje was leeg en aan de oever van het vijvertje achter in de tuin, zat de kat van de buren met haar klauwen in het water. Ze wilde onze vissen vangen.

Er waren mensen die dobberden op zee, die droogden van de honger en dorst, die zwegen of fluisterden dat ze beter konden zwijgen, die zichzelf verkochten, die verkocht werden, die kinderen baarden en zagen dat hun kinderen met de wapens in de hand de oorlog in werden gestuurd, die niet wisten hoe te slapen zonder angst, die niet mochten zijn wie ze waren, niet mochten dragen wat ze wilden, werden weggejaagd, van wie de enige wens was te sterven, heen te gaan en niet terug te keren.

Dat zag ik door mijn open raam en ik had niets. Behalve woorden. Bewapend met letters en een flinke dosis fantasie begon ik te schrijven over wat ik zag en niet wilde zien. Ik schreef om oneindig grote dingen een plaats en een vorm te geven voor mezelf, om naamloze mensen van woorden te voorzien. Ze zeggen dat spreken zilver is en zwijgen goud, maar soms is spreken zilver en goud. Ik ben machteloos. Ik heb enkel letters en ik wil niet zwijgen als ik spreken kan.

De boeken die ik doorheen de jaren gelezen had, waren werkelijkheid. De buitenwereld die achter mijn raam ritselde, kende ik al van de boeken die ik las. Literatuur is het leven vanbinnen uit, is alles wat zich tussen hemelen en aarde beweegt, wat is, bestaat, wat baart en moordt. Literatuur kent geen grenzen, is op zichzelf, geeft en neemt niets weg, is van ons en van iedereen, raakt wat niet geraakt mag worden en zegt wat niet gehoord wil worden, zoekt tot over de randen van de taal om alledaagse dingen opnieuw te zeggen, maar dan anders.

Er is geen geld meer voor schrijvers, uitgeverijen en bibliotheken, zeggen ze. Maar daar geloof ik niet in. Er is wel geld, alleen kiezen ze daarboven wat ze ermee doen. En ze hebben keuzes gemaakt, maar niet de juiste. Onze schrijvers geven ons vaak antwoorden op vernieuwing en verandering. Ze dwingen ons naar binnen te kijken. Langer dan we willen. Net zolang tot we onszelf in vraag beginnen te stellen. Een land dat zichzelf niet in vraag stelt, is gedoemd om onder te gaan. Vroeg of laat.

Er is een schrijver gestorven, zeggen ze. Maar daar geloof ik niet in. Degenen die ik lees, waren gestorven voor ik geboren werd. Schrijvers sterven niet. Schrijven is voor de eeuwigheid. Tot de wereld stopt met draaien. Er is een schrijver gevangengenomen, zeggen ze. Maar daar geloof ik niet in. De schrijvers en redenaars die ooit de gifbeker dronken, naar verre oorden verbannen werden of als heksen verbrand, hebben de meest verspreide verzen achtergelaten.

De pogingen om de literatuur morsdood te verklaren, zijn tevergeefs.

(Aya Sabi is studente en columniste.)

 

lees ook