Nie neute, nie pleuje... - Peter Decroubele

Het wonder is geschied, AA Gent heeft zijn eerste titel beet. Vijf jaar geleden was er al deining in de Arteveldestad toen de Beker van België werd binnengehaald. Ooit moesten ze toch eens kampioen worden, dachten ze daar in de Gentse bestuurskamers. Dat het nu al is gebeurd, is een half mirakel. Maar een zelf afgedwongen mirakel. En de Gentenaars zelf, die zijn nog gekker en wilder dan anders.

Het stadion

Ik was er twee jaar geleden bij toen de Ghelamco Arena werd geopend. Een staaltje van durf, aanpak en doorzetting. Iedereen lachte voorzitter Ivan De Witte weg toen hij jaren daarvoor met een plan voor een gloednieuw, hypermodern stadion op de proppen kwam. Megalomaan. Maar hij deed het. Samen met een bouwpromotor die er een hoop eigen centen in stak én een stadsbestuur dat maar al te zeer mee wilde, met Daniel Termont als voorman van een meute meedenkers en “meedoeners”.

Iets trager dan gepland stond het er, maar toch, na een periode van “snelbouw” opende Gent tegen Stuttgart zijn nieuwe tempel. Een schuldenberg in 15 jaar weggetoverd en een fonkelende nieuwe speelplaats. De Witte kraaide: “Binnen de vijf jaar kampioen!” Ikzelf kon mijn monkellachje niet verbergen toen. Ongelijk gekregen.

Nie neute, ni pleuje

We zijn twee jaar later en het is al zover. Als gevolg van een doordacht beleid, een coach met straffe truukjes in de mouw, ietwat tegenvallende tegenstanders dit jaar, maar vooral een bloedeigen, aanvallend, gedurfd spel. Een eigen smoel, een eigen stijl, “rechtedeure” en “nie neute, nie pleuje”. Het geheim, denk ik, van de club, van de stad. Durf en eigenzinnigheid, het typeert de Gentenaars en hun ploeg.

Gent zet zichzelf eindelijk op de voetbalkaart. Overal in Europa kan je zeggen dat elke stad die iets betekent wel eens landkampioen is geweest. In Gent keken ze vaak met lede ogen toe hoe pakweg Turijn, Alkmaar en Dortmund daarin slaagden. Nu is de kop er eindelijk af en wie weet is het hek van de dam. Eindelijk staat die titel op het palmares, eindelijk na 115 jaar clubgeschiedenis, Gent heeft een spoor nagelaten, in de voetsporen van die andere steden die vaak kietelden: Brugge (al is dat al een decennium geleden), Luik, Anderlecht of zowaar zelfs Lier en Genk.

De vonk van vreugde

Ik voelde en hoorde het in het stadion, ik las het dagen vooraf op de sociale media en ik zag de vonk van de vreugde in de Ghelamco Arena en in de binnenstad. Daar op de Vlasmarkt, het epicentrum van de nachtraven op de Gentse Feesten. Het was weer prijs, het waren weer Gentse Feesten, vervroegde dan toch. Zo typisch de Gentenaar: dwars doen, non-conform, vieren wanneer het niet mag en vooral vieren wanneer het absoluut moet. Zoals nu. Voor de stad en zijn bewoners is dit een pluim op de hoed, noem het een indianenpluim, ja. De trots zwelt, het chauvinisme van de Gentenaar (vaak zelfs groter dan bij de Antwerpenaren) is voor een tijd niet te stuiten, Gent krult en kronkelt, de Leie blinkt en bloost.

Een aangespoelde Gentenaar

En zelf ben ik Gentenaar, ja, maar een aangespoelde. Van even verder op de Leie, van Kortrijk. Jaja, een West-Vlaming in Gent, stilaan de grootste enclave die er is. En ja, ik ben mijn club van mijn geboortegrond niet vergeten, integendeel, ik was vrolijk toen KVK Play-Off I haalde. Maar ik geef ook toe dat ik tevreden ben dat “de Gantoise” kampioen is - laat ons trouwens nu maar dat halfslachtig Frans woord begraven, het is AA Gent, het is Buffalo, het is COBW (“Come On Blue White”).

Eindelijk weer een kleintje, een outsider, een onverwachte naam. Want daar is iedereen ook binnen de club het over eens: het is onverwacht, het valt wat uit de lucht. Maar het genot is des te groter. En dat “kleintje”, mja, misschien kan de club dat begrip nu wel omvormen. Misschien kan Gent nu doorstoten naar een hoger niveau. Champions League spelen, meer inkomsten genereren, (nog) meer abonnees lokken, meer imago, meer “funding” zoals dat dan in marketingtermen heet, de grond is er om de wigwam van de Buffalo voor eeuwig te verankeren.

Kippenvel

Ik ben nu wat onrustig en ook roesachtig in het hoofd. Korte nacht, veel radio gemaakt, maar ook genoten. Van het geluk van anderen, van het delirium van de fans, van de titelvreugde. Dit weekend wandel ik nog eens op mijn gemak door de stad. Die mooie stad die Gent is. In eeuwig duel met Brugge. Die Scone. In het voetbal is die oorlog gewonnen dit jaar, trouwens één van de focussen van genot voor veel Gentenaars. Dat “de boeren” weer eens zijn geklopt. Eerst was er dat stadion en nu die titel. Gent kan een jaar lang koesteren en knuffelen, al mag je nooit op je lauweren rusten. Voor AA Gent wacht de uitdaging om te bevestigen, ja zelfs te groeien. Wat de stad en haar inwoners betreft, da’s een ander verhaal, da’s één langgerekt orgasme, zeker al tot na de Gentse Feesten. Enfin, die van in juli, bedoel ik. De proloog ervan hebben we gisteren en vannacht al meegemaakt.

Voetbal, een feest? Ja, toch wel. En nog iets… Die minzame voorzitter Ivan De Witte die me toevertrouwde dat deze titel ook wel een beetje voor zijn zoon was, die hem is ontvallen. Ik kan je zeggen dat ik één en al kippenvel was. Waarop hij nog eens vriendelijk in mijn arm kneep en zei dat ik er ook van moest genieten. Ook al ben ik op zich geen supporter. Topmens. Topclub. Of toch bijna…

 

(Peter Decroubele is journalist bij VRT Nieuws en aangespoelde Gentenaar.)
 

lees ook