Beven voor Palmyra - Tim Trachet

Ik beef voor Palmyra. Voor de stad die in handen is van lieden die zonder overdrijven barbaren kunnen worden genoemd. Mensen die in de regio al onnoemelijk veel leed onder de bevolking hebben veroorzaakt. En al eerder onschatbaar archeologisch erfgoed hebben vernietigd.
labels
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Mijn gedachten gaan naar de mensen uit Palmyra die ik ontmoet heb. De eigenaar van het kleine hotel, de dikke chauffeur van een minibus, de kinderen op straat, de vrouw die dadels plukte in de oase. Wat is er van hen geworden?

Zelfs als ze met rust worden gelaten, hoe kunnen ze daar leven, nu er geen toeristen meer zijn? Want Palmyra draaide op het toerisme. Palmyra was een archeologisch juweel. Behoort dat juweel tot het verleden ?

De beelden uit het museum zouden in veiligheid zijn gebracht, zo laten de Syrische autoriteiten weten. Maar er zijn ook de talrijke beelden die niet konden worden meegenomen, in de enorme tempel van Bel en nog meer in de vele onderaardse graftombes. Zijn zij gedoemd tot vernietiging, door houwelen en drilboren als symbolen van “afgoderij”, zoals eerder met sommige beelden van Nimrod gebeurde?

Unieke site

En wat met de ruïnes zelf? Want het betoverende aan Palmyra zijn in de eerste plaats de ruïnes die zo harmonieus in het woestijnlandschap staan. De colonnade, de tempels, het theater, je vindt ze op meerdere plaatsen in wat eens de Romeinse wereld was. Maar de site is uniek.

Er is niet veel over van wat in de derde eeuw van onze jaartelling een stad van 200.000 inwoners moet zijn geweest, welvarend door de karavaanhandel. Een stad die in korte tijd, onder leiding van Zenobia, een van de merkwaardigste vrouwen uit de Oudheid, de heerschappij veroverde over een groot deel van het Romeinse Rijk, alvorens ze door de Romeinse keizer Aurelianus verslagen en geplunderd werd.

Wat van de stad overblijft, is schilderachtig. De ruïnes staan op rechte lijnen in de woestijn, met aan de ene kant een groene oase en aan de andere kant een berg met een middeleeuwse vesting. Het mooiste moment om ze te bezoeken is kort na zonsondergang. In de tinten van de schemering steken de ruïnes op een bijzondere wijze af aan de avondhemel.

Wie dan door de ruïnes wandelt, heeft een bijzondere ervaring. Alsof de overblijvende zuilen en portieken zich uiten als getuigen van een lang vergeten beschaving.

Die prachtige ervaring heb ik niet zelf ontdekt. Het was een gids die me bij mijn eerste bezoek aanraadde om zo’n avondwandeling te doen. Pas later vernam ik hoe het ooit aanleiding gaf tot een invloedrijk boek.

Voltaire en Hugo

Rond 1784 maakte een jonge Fransman op zijn eentje een lange reis door Egypte en Syrië. Opgevoed in de geest van de Verlichting, wilde hij met eigen ogen de wonderen uit de Oudheid zien waar nog maar weinig Europeanen geweest waren, en kennis maken met andere culturen. Hij had daarvoor speciaal Arabisch geleerd. Na zijn terugkeer publiceerde hij zijn indrukwekkend reisverhaal onder het pseudoniem Volney, een naam afgeleid van zijn idool, de filosoof Voltaire en diens verblijfplaats Ferney (hij heette eigenlijk Chasseboeuf).

Het boek werd een enorm succes. De auteur verwierf internationale faam en kreeg zelfs een prijs van de Russische keizerin Catharina de Grote. Hij maakte het Midden-Oosten beter bekend in het Europa van de Verlichting. Maar in 1791 publiceerde Volney een tweede boek: Les Ruines ou Méditation sur la Révolution des Empires. Met vijftien drukken in 35 jaar kreeg het nog meer weerklank dan het eerste. Het beïnvloedde onder meer romantische auteurs als Chateaubriand, Lamartine en Victor Hugo.

De ruïnes

In Les Ruines wandelt de auteur bij zonsondergang door de ruïnes van Palmyra. Hij denkt daarbij aan al die verdwenen beschavingen en vraagt zich af hoe die konden verdwijnen. Het antwoord wordt hem gegeven door de stem van een soort geest die tussen de ruïnes huist. Die stem legt hem uit dat niet God of een of ander obscuur noodlot verantwoordelijk is voor al die verwoestingen, maar de mensen zelf, die door oorlog en wanbeleid allerlei rampen in de samenleving hebben veroorzaakt. Dit standpunt vormt de kern van het boek, een uitgangspunt voor verdere bespiegelingen over beschaving en religie, met een pleidooi voor religieuze tolerantie.

Deze opvattingen waren voor die tijd heel modern. Tot dan toe werd de ondergang van een stad, een land of een beschaving nog vaak beschouwd als een straf van de hemel voor een bevolking die zich niet vroom en godsvruchtig gedragen had. Neen, zo schrijft Volney, het zijn mensen die al deze verwoestingen hebben aangericht. Als het een straf van God was, handelden die mensen dan in goddelijke opdracht? “Bestaat heiligheid dan uit vernietigen? … is (God) een God van ruïnes en graftombes? Vraagt hij verwoesting als eerbetoon en als offer brandstichting? Wil hij als hymnen gekreun, moordenaars als vereerders en als tempel een verlaten en verwoeste wereld?”

In de naam van God

Deze vragen waren ongetwijfeld retorische vragen, maar blijkbaar denken de lieden die nu Palmyra terroriseren daar anders over.
Volney leefde ten tijde van de Franse Revolutie, waarin hijzelf een rol speelde. Als kind van de Verlichting geloofde hij in de vooruitgang van de mensheid en hij heeft er op zijn manier aan bijgedragen.

Nooit had hij kunnen denken dat meer dan twee eeuwen na zijn bezoek aan Palmyra een groep moordenaars inderdaad een cultus van de verwoesting als goddelijk eerbetoon beschouwen. Wat ze – o ironie - wellicht nu toepassen op de ruïnes die Volney inspireerden.

(Tim Trachet is VRT-medewerker.)