Succes in het hoger onderwijs: wat helpt?

Vrouw zijn, in Vlaams-Brabant wonen, Belg zijn, ouders met een diploma hoger onderwijs hebben, in een huishouden met gehuwde ouders wonen. Wie in 2001 tussen 15 en 17 jaar was en toen aan die criteria beantwoordde, heeft veel kans om vandaag een diploma hoger onderwijs op zak te hebben. Een grootschalige analyse van de schoolloopbaan van meer dan 340.000 jongeren wijst enkele factoren aan die een rol lijken te spelen bij succes in het hoger onderwijs.

De Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie verzamelde gegevens over de schoolloopbaan van 343.902 jongeren die in 2001 tussen 15 en 17 jaar oud waren. Vervolgens werd gekeken naar welk diploma diezelfde jongeren tien jaar later, in 2011, in handen hadden. Op basis van al die cijfergegevens zien de onderzoekers enkele parameters die lijken te helpen bij het halen van een hoger diploma.

Wat waren die succesfactoren?

  • Vrouw zijn
  • In Vlaams-Brabant wonen
  • De Belgische nationaliteit hebben
  • Ouders hebben met een diploma hoger onderwijs
  • In een huishouden met gehuwde ouders wonen

De onderzoekers maakten een onderscheid tussen hoger onderwijs van het korte type en het lange type.

  • Korte type: graduaat (A1), professionele bachelor, voortgezette opleiding na graduaat of bachelor
  • Lange type: academische bachelor, licentiaat, ingenieur, master, doctor in de geneeskunde, doctoraat, diploma van het niet-universitair hoger onderwijs van het lange type, master aan een hogeschool, voortgezette opleidingen na licentiaat of master.

Geslacht

Het geslacht blijkt een niet-onaanzienlijke rol te spelen bij het halen van een diploma. 48,6 procent van de vrouwen heeft een diploma hoger onderwijs, bijna de helft dus, tegenover 32,3 procent van de mannen, slechts een derde.

Mannen kiezen iets vaker voor het hoger onderwijs van het lange type dan van het korte type, maar er zijn meer vrouwen dan mannen aan de hogescholen en universiteiten.

Woonplaats

Leerlingen die in 2001 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest woonden, behaalden minder vaak een diploma dan leerlingen in Vlaanderen of Wallonië: slechts 25 procent van de mannen en 38 procent van de vrouwen. Vlaanderen scoort het hoogst met respectievelijk 35 procent en 52 procent.

Als we kijken naar de opdeling per provincie, scoort Vlaams-Brabant bij zowel mannen als vrouwen het hoogst, gevolgd door Waals-Brabant, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen.

Brusselse leerlingen studeerden minder vaak succesvol verder na het secundair, maar wanneer ze dat wel deden, gaven ze de voorkeur aan onderwijs van het lange type.

Nationaliteit bij de geboorte

Bijna 14 procent van de onderzochte jongeren had bij zijn geboorte een andere dan de Belgische nationaliteit. En dat blijkt een significante rol te spelen: afhankelijk van het soort diploma (korte of lange type) zijn er 1,7 tot 2,4 keer meer diplomahouders bij jongeren die bij de geboorte Belg waren.

51,9 procent van de vrouwen met de Belgische nationaliteit haalde een diploma hoger onderwijs, tegenover 39,6 van de meisjes die bij hun geboorte geen Belg waren. Voor mannen is dat 34,7 procent bij de Belgen tegenover 16,5 procent.

Opleidingsniveau van de ouders in 2001

Met "ouders" wordt bedoeld: de volwassenen in het huishouden die de verantwoordelijkheid hadden over de jongeren toen ze er in 2001 verbleven. Het gaat zowel om koppels als om alleenstaande moeders of vaders.

In de huishoudens waarin een van de ouders hogere studies heeft gedaan, is het aandeel van jongens en meisjes met een diploma van het hoger onderwijs respectievelijk twee en drie keer zo groot als dat in huishoudens waarin geen van beide ouders verder heeft gestudeerd.

De verschillen zijn nog meer uitgesproken voor het hoger onderwijs van het lange type. Kinderen die in een huishouden leven waarin een van de ouders hogere studies heeft gedaan, behalen vier keer zo vaak een diploma van het hoger onderwijs van het lange type.

Type huishouden in 2001

De drie voornaamste huishoudens waar kinderen in 2001 in leefden, waren een gehuwd koppel met kinderen (75,46 procent), een eenoudergezin (19,10 procent) en een ongehuwd koppel met kinderen (4,56 procent).

Jongeren die in huishoudens met een gehuwd koppel leefden, behaalden vaker een diploma van het hoger onderwijs dan de anderen: 1,5 keer meer voor meisjes en 2 keer meer voor jongens. Jongeren die in huishoudens met ongehuwde koppels leefden, hebben hetzelfde opleidingsniveau als jongeren uit eenoudergezinnen.

Dit zijn de feiten, wat is de verklaring?

Hoewel misschien niet helemaal verrassend legt deze feitelijke analyse wel situaties bloot die meespelen in de ongelijkheid in het onderwijs. De onderzoekers bereiden nu een verklarende analyse voor.

De volledige resultaten van de analyse kunt u bekijken op de website van Census 2011.