Een onzichtbare muur aan de Middellandse Zee

Rudi Vranckx trok met zijn ploeg naar Libië, van waaruit duizenden vluchtelingen de oversteek wagen om Europa te bereiken. Maar wat als de Libische kustwacht of politie hen te snel af is? Waar belanden ze dan? Ze worden in een soort van gevangenis gestoken, in hokken opgedeeld per land. Vranckx noemt hen "levende doden". Hij getuigt over het menselijke leed in Libië.

“Heeft dit nog zin?” De vraag overvalt me terwijl ik, nog maar eens, eindeloos zit te wachten op de luchthaven. Die van Istanbul, om precies te zijn. Problemen met de paspoorten, en dus kunnen we niet verder naar Tripoli. In de hoofdstad van Libië regeert immers een islamitische regering die niet internationaal erkend wordt. De regering die dat wél is, huist honderdtallen kilometers verder naar het oosten, in Tobroek. In dit land, verscheurd door een honderdtal gewapende milities, scheurt er al eens een muitende groep de landingsbaan op in pick-uptrucks met zware mitrailleurs.

Spookvisum

En dus vliegen er enkel nog “niet erkende” luchtvaartmaatschappijen naar Libië. Zo slijten we onze uren op een stoel in de Ataturk International Airport: niet verzekerd en zonder garantie dat we ooit kunnen vertrekken. De man aan de balie knikt me behulpzaam toe. “Uitstel voor onbepaalde duur. Er wordt geschoten in Tripoli.”

Maar dan duikt alweer het volgende probleem op. “Waar is uw visum, sir?” Euh, het regime, dat is niet erkend, evenmin als de luchtvaartmaatschappij. Voor een visum moet je dus in Tripoli zelf zijn. Catch 22, zou je denken, maar de oplossing is doodeenvoudig. Na enkele telefoontjes heen en weer tussen een vertegenwoordiger van een niet-bestaand ministerie in Tripoli en de verantwoordelijke van de schimmige organisatie die ons verwacht (een militie, maar welke, daar hebben we het raden naar), leveren ons uiteindelijk een spookvisum op. Het vliegtuig zelf duikt vijftien uur later op.

“Gestrand”: het is het woord dat we gebruiken in onze sms’en over en weer naar de redactie in Brussel, als we weer eens in zo’n situatie zitten. Daags later, nadat we voet aan de grond gezet hebben in Libië, leren we een andere betekenis van het woord kennen.

Levende doden

We zijn in Zawiya, een kuststadje in het noordwesten van Libië, pal aan de Middellandse zee. De zon schijnt ongenadig op het kale, betonnen gebouw dat zich voor ons uitstrekt. Een oude school is het, maar dan een die verbouwd is met zware tralies voor kleine gleufraampjes. Uit die raampjes hangen handen.
Hier huizen levende doden.

Al na enkele kilometers op zee, op weg naar Europa, zijn ze opgevist door de Libische kustwacht. Met meer geluk dan kunde overigens, want die kustwacht moet de hele, honderden kilometers lange kustlijn bewaken met twee lichte bootjes. Of ze dwaalden gewoon rond in Libië, op zoek naar werk om hun overtocht te verdienen maar zonder de juiste papieren, en werden door de politie van de straat geplukt. Daarna worden de vluchtelingen hier afgezet, in dit gebouw waar het leven geen vat op lijkt te hebben.

Een hangslot wordt van een deur gehaald, zware hengsels opzijgeschoven. Deur na deur wordt geopend. We komen in een lange, lege gang terecht, met aan weerszijden hokken. Elk van die hokken is op zijn beurt volgestouwd met zwarte mensen. Ze zijn opgedeeld per land. Een geografische inventaris van internationale miserie. “Gambia”, antwoorden ze op onze vraag waar ze vandaan komen. En in de volgende hokken: “Somalië”. “Nigeria.” “Eritrea.”

Even bekruipt me een benauwd gevoel; het moment waarop ik me realiseer dat ik in één ruimte zit met driehonderd radeloze jongemannen. Wat houdt hen tegen om uit te breken uit hun kooien en mij hier op te sluiten? Bewakers zijn hier nergens te bekennen. Maar agressie al evenmin. Droefheid, dat wel, kwetsbaarheid ook. Ik ben het enige lichtpuntje van deze kerels, de enige die hun boodschap kan overbrengen naar de buitenwereld. Ik ben de enige die de wereld kan duidelijk maken dat ze nog bestaan. Hun familie heeft al weken of maanden niets meer van hen gehoord; misschien gaan ze ervan uit dat ze al aangekomen zijn in Europa. Of dood, dat kan ook. Even overweeg ik om mijn gsm boven te halen en hen naar huis te laten telefoneren, een teken van leven te laten geven. Ik doe het uiteindelijk toch maar niet; de situatie zou te snel kunnen ontsporen.

Een onzichtbare muur aan de Middellandse Zee

“Sommigen worden hier gek”, vertellen ze me. Radeloos verloren gelopen in hun eigen hoofd. Hier, dat is hun cel van enkele vierkante meters groot die ze delen met tientallen lotgenoten. Er is één kraantje per cel voorzien met een zeil ervoor. Wassen, drinken, schijten: ze doen het allemaal aan dit ene kraantje. Natuurlijk worden er ziek.

“Waarom is er hier geen opvang voor ons? Een vluchtelingenkamp van UNHCR of zo”, vraagt een ander. “Dan kunnen we tenminste terug als het moet.” Tja, wat doe je met die tienduizenden mensen die toegestroomd komen uit de woestijn die Libië met de rest van Afrika verbindt? Ik weet het ook niet. Maar vast staat dat deze mensen nu niet geholpen worden. Veel dreigende taal vanuit Europa, daar stuiten ze nu op, vertellen ze me. En een onzichtbare muur die gebouwd wordt ter hoogte van de Middellandse Zee. En uiteindelijk dit betonnen gebouw, dit vagevuur waar levens voor onbepaalde duur in verdwijnen.

Nog maar enkele dagen geleden zat ik 15 uur lang vast op de luchthaven van Istanbul. Gestrand, zoals we dat in onze wereld noemen. Terwijl ik terug naar buiten loop en de hengsels achter me opnieuw dichtgeschoven worden, vraag ik me af hoe lang deze levende doden nog zullen vastzitten. Bij ons duurde het 15 uur, maar niemand weet hoe lang deze mensen nog vastzitten aan de kusten van Libië. Uitgespuwd door de Middellandse Zee, Afrika en Europa. Dagen? Maanden? Jaren?

Beluister de radioreportages in de reeks "De tocht naar Europa" op de website van Radio 1.