Tocht naar Europa: doodlopend spoor

Ze zal zowat van mijn leeftijd zijn en ze heet Martine. Ze zit schuin tegenover in dezelfde treincoupé en kijkt dromend naar buiten. Het Italiaanse landschap schuift aan ons voorbij. Busalla, Pontecurone, … industrie en velden in de Po-vlakte. Lichtjes argwanend observeert Martine haar buur, van kop tot teen. Ik hou op mijn beurt het tweetal in de gaten en vraag me af wat er in hun gedachten omgaat.

"Hebt u al eens gehoord van de bootvluchtelingen?" vraag ik. "Hebt u de beelden al gezien van de scheepsramp nabij Malta?" "Ja, ja, natuurlijk, vreselijk is het”. “Weet u wat er nadien met die mensen gebeurt?” “Niet echt, dat wordt ons nooit getoond op de TV, spijtig genoeg.” "Wel, dan kunt u het eens vragen aan deze drie jongens, ze weten er alles van."

Martine begint aan een lang gesprek met de bootvluchtelingen uit Togo, Waliou en Richard, en Francis uit Ghana, in het Frans en het Engels, alsof het geen toeval is dat net zij, als Canadese, tussen ons zit.

Hoe verder we wegrijden van Milaan, des te meer Martine gefascineerd raakt door de omzwervingen van de drie die vrienden zijn geworden in Libië: hun zware maanden daar, de misselijkmakende boottocht, de solidariteit tussen moslims en christenen aan boord, hun gebrek aan voedsel, hygiëne en opvang in Italië, en vooral hun vastberadenheid om weg te geraken richting noorden.

“Jullie zijn echt wel doorzetters”, zegt ze. “Hoe fijn om jullie een naam en een gezicht te kunnen geven." De jongemannen vertellen dat ze vastbesloten zijn om ondanks de dreiging van de Franse politie toch de grens te proberen over te steken.

In Genua stapt Martine uit. Ze zegt nog: "wanneer denken jullie aan de grens te zijn?" "Rond drie uur." "Dan ben ik in de kerk en zal ik voor jullie bidden." En dan barst ze in tranen uit. “Sorry, maar jullie verhaal grijpt me naar de keel.”

Geblokkeerd

Zoals verwacht wordt de trein vanuit Ventimiglia in Menton, net over de grens, uitgekamd. We hebben beelden van hoe de Franse agenten in donkerblauw uniform en knuppel, sommigen met zwarte handschoenen, de trein opstappen en routineus, alle armzalig lijkende zwarten viseren: “Identiteitsbewijs? Reisbestemming?" Zeggen dat ze asiel willen in Frankrijk krijgen ze niet eens gezegd. Iedereen verdwijnt fatalistisch in een stationslokaal en daarna in klaarstaande minibusjes.

Ik ben meer dan ik had verwacht geschokt door het vrolijke gedoe van de agenten. Alsof het een computergame is: illegalenjacht. Hoeveel zitten er op deze trein? Meer dan op de vorige? Yes, gewonnen.

Pas een uur of twee later vinden we de drie jongelui terug, op een asfaltweg langs de rotsen, voorbij het bordje "Italie/Italia". Met een tiental andere jonge mannen, Eritreërs en Soedanezen, zijn ze er gedropt. Ze hangen nu over de stenen reling en staren naar de andere grenspost en de azuurblauwe Middellandse Zee, daar in de diepte. Het doet me denken aan de manier waarop ik Afghanen in Calais naar de kusten van Dover zag staren. De overkant is zo dichtbij en zo veraf.

Francis zit ineengedoken, zijn hoofd in zijn kaki hoodie, vol spijt over zijn vertrek naar hier. “Hoe oud ben je ook alweer?" vraag ik. “24." “Je zou mijn zoon kunnen zijn.”

Dat is hij op dit moment ook wel een beetje. Maar ik heb geen huis voor hem, geen bad, geen eten, geen onderwijs of werk. Alleen een beetje troost.

De reis lijkt journalistiek gezien goed gelukt. Maar het uitzichtloze van de situatie raakt me als mens en daarom hou ik er geen goed gevoel aan over. Waar is die eensgezinde Europese aanpak? Waarom blijven lidstaten volgens hun eigen noden en vooral politieke bekommernissen handelen? Water zoekt zich altijd een weg, net als hopeloze mensen.

Beluister de radioreportages in de reeks "De tocht naar Europa" op de website van Radio 1.