Een vrouw met een te hoog zelfbeeld - Celia Ledoux

Onlangs had ik een fotosessie voor de cover van mijn aankomend boek. Het ging zoals bijna elke goeie sessie: je klooit wat, raakt op mekaar afgesteld, zit erin en raakt overtuigd: dit wordt goed. Maar.

De fotografe gebruikte polaroids. We overlegden echt, ze drukte spaarzaam af, het effect was meteen zichtbaar en ze nam tijd om te bespreken. Onthaastingsfotografie in selfietijd. Over een bepaalde foto jubelde ze. “Wat een mooie vrouw! Daar kan je thuis mee aankomen, hoor.” Ik aarzelde terwijl ik het zei: “Eigenlijk heb ik het idee dat ik er altijd ongeveer zo uitzie.”

Ze was even stil en lachte toen. Je kon zien wat ze dacht. Een vrouw met een goed gedacht van zichzelf, ga dat vinden.
Ik beken. Ik ben tevreden met mijn hoofd, lichaam, wat eraan hangt en in zit.

Echt: terwijl ik het schrijf, komt de schaamte vanzelf. Tevreden hoort een vrouw niet te zijn. Ik word dan uitleggerig. Ik voel me niet beter, vind u niet lelijk en inderdaad: ik ben zeker geen model.

Tijdens die fotosessie stotterde ik ook wat. Dat de spiegel me soms verbaast. Zie ik er zo uit vandaag? Dat valt tegen. Maar zelfs in de spiegel ben ik bijna altijd blij met mezelf. Misschien corrigeer ik onbewust wat ik zie in een soort omgekeerde body dysmorphic disorder. Zou ik een mannenzelfbeeld hebben?, vroeg ik haar.
Ze gniffelde. De vraag bleef rond mijn hoofd zwemen. Ik bedoelde ze half ernstig.

Vroegrijp

Een weekje lang vond ik mezelf raar met mijn goeie zelfbeeld. Toen dreef de omgekeerde gedachte boven. Is het niet raar dat zoveel vrouwen een slecht zelfbeeld hebben en zichzelf letterlijk niet graag zien? Die gedachte was hardnekkiger.

Als kind was ik nooit mooi gevonden, maar slim. Mijn buitenkant was oninteressant. Niemand zag daarin potentieel. Bij een mooie jurk kwam “wat ben jij mooi!”, en klein als ik was wist ik wat ze bedoelden: je ziet er eens ok uit, en dat ligt puur aan wat je draagt.

Als tiener werd het complexer. In mijn eliteschool werden foute kleren openlijk becommentarieerd. Mijn lichaam en uitzicht toonden sporen van goedkopere gezondheidszorg, verzorging en voedsel opgekweekt. Dat uitspreken was taboe, maar de uitsluiting bleef tastbaar. Meisjesmedia bevestigden hoe ik te kort schoot. Gelukkig was ik goed met mijn hoofd.

Buiten het internaat dan weer zette die extreem vreemde, opjagende mannelijke aandacht op. Ik was vroeg groot en de aandacht paste niet bij mijn prepuberende, onschuldige zelf.

Een mannelijk familielid hield zijn handen niet thuis, zijn vrouw zag mij als oorzaak en blokte mijn pogingen tot uitleg kortweg af. Een lichaam betekende ook schuld.

Eenmaal aan het werk bleek jong, blond en slank vaak synoniem voor dom. Soms voelde ik me raambekleding en deed die gedachte als vergezocht af. Tot een beschonken klant: “Zo, hebben jullie dàt binnengehaald?” zei op een receptie. Tégen mijn collega, mij bekijkend. Opblaaspop met drie diploma's, te huur voor professionele vetzakkerij, dacht ik. Nee: eerlijk, ik stond paf en werd pas achteraf boos. De collega, vader van een dochter iets jonger dan ik, vond zoiets erbij horen.

Plots een taboe?

Elk vrouwenlichaam is zo anders als de ervaringen die het kent. Toch kennen velen van ons dat ontheemde gevoel: op de duur is je lichaam niet meer van jou. Het werkt je tegen. Dat laat zich maar voortdurend interpreteren, vaak anders dan jij bedoelt. Dat maakt je tot popje, trut, hoer of simpelweg niet genoeg. Je bent die façade en zelden je eigen inhoud.

Ik kende die studies wel. Hoe meer vrouwenmagazines je leest, hoe slechter je zelfbeeld. Je zelfbeeld is ook wie jou ziet.
We leren onze meisjes de ander als spiegel serieus te nemen. Misschien leren we het jongens tegenwoordig ook. Niet dat je hen dat gunt. Zo'n kleverige last krijg je moeilijk afgeschud.

Echt kwijt ben ik de last niet, maar het rugzakje voelt meestal licht nu. Misschien kwam de omslag toen ik ziek werd. Mijn uiterlijk bleek liggend gelijk, maar de blikken veranderden. Na anderhalf jaar kon ik weer een beetje lopen en bleven die krukken een efficiënte buffer. Al die tijd kwamen er nog wel complimenten, vriendelijke aandacht, relationele interesse, maar altijd respectvol. Ik werd gevrijwaard van vetzakkerij of uiterlijke oordelen. Het was een mirakel. Was mijn lichaam plots taboe als mogelijk gebruiksvoorwerp voor anderen?

Maakt het “fragiel” dat wandelstok en handicap op je lichaam stempelen iedereen welwillender? Misschien bood die veranderde blik genoeg cement om blijvend een zelfbeeld in te verankeren.

Mijn maatje

Misschien was het liefde. Die man die me jarenlang graag zag om mezelf en in daad en gebaren vanzelfsprekend toonde: jouw lichaam is voor mij aantrekkelijk. Jij bent precies goed, wij passen. Die elke keer de stap maakte en me in die dans meenam. Ken je die oneliner uit Bridget Jones: “I like, you just the way you are”? Die ervaring wens je elke vrouw.

Het kan de verbazing zijn geweest. Als een volwassene leert stappen, merkt-ie verbluft het kunnen van zijn lichaam. Of je baart, en je lichaam verwerpt alle regie, eigenzinnig in zijn krachttoer. Je ziet andere vrouwen herstellen van de enorme ingrepen bij dat baren. Is het dat kind voeden? Het wordt moeilijk een lichaam met al die potentie niet te vieren.

Hoe het ook komt dat mijn lichaam mijn maatje en graag geziene thuis is, Ik zeg zelden hoe ik me voel over mijn spiegelbeeld en dat ik het koester. Zoiets doe je niet als vrouw.

Spiegel

En ouder wordend word ik wel eens bang. Misschien zal mijn tevredenheid me in 't gezicht slaan. Zal ik medelijden of meewarigheid uitlokken? Het valt niet uit te sluiten dat je goed voelen over jezelf gevaarlijk is.

In het nu voelt het alleen prettig en wens ik het elke vrouw toe. Standaards van parfumreclame tot Dove-advertentie of overheidsnormen hoeven je niet uit te maken. Dagelijkse oordelen niet normaal of redelijk te lijken. Je mag gewoon houden van wie je bent, in welke spiegel ook.


 

lees ook