Leve de hooimaand - Maja Wolny

Juli is een bijzondere maand voor verschillende naties, volkeren en hun talen. In geen enkele maand zijn er zo veel nationale feestdagen en onafhankelijkheidsverklaringen. In juli wordt er onder andere gefeest in de VS, in Frankrijk, in Canada, in Argentinië, in Slowakije, in Rwanda en Burundi, in Malawi, in Somalië, op de Bahama's, in Wit-Rusland, in België en daarnaast nog apart in Vlaanderen. Wat is dat met juli en de articulatie van de identiteit?

Toen ik een kind was, gaven we in Polen tijdens belangrijke feestjes als cadeautje een laurka. Dat was een geplooid blad papier met een tekening op de eerste pagina en zelfgeschreven lieve woorden op de binnenkant. Nu wil ik graag een laurka voor mijn tweede thuisland maken. Zonder tekening, maar wel in mijn beste Nederlands, want dat is een zeer bijzondere taal die mijn leven heeft veranderd.

Het was ook een zomerdag, bijna negentig jaar geleden, toen de Amerikaanse taalkundigen Edward Sapir en Benjamin Lee Whorf elkaar op een congres in New York ontmoetten. De latere samenwerking tussen deze wetenschappers resulteerde in de theorie (ook Sapir-Whorfhypothese genoemd) dat de specifieke taal die we spreken invloed heeft op de manier waarop we over de werkelijkheid denken. Dat idee was niet volledig nieuw. De eerste sporen van dit soort denken waren al bij de 19de-eeuwse filosoof Wilhelm von Humboldt te vinden. Hij vond dat de taal de uitdrukking van de nationale geest was.

Nederlands?

Ik spreek sinds 2002 dagelijks Nederlands. Ik merk dat deze taal mijn manier van denken heeft beïnvloed. Wat doet de Nederlandse taal met een mens? Vooral dit: het Nederlands ordent de chaos, met zijn gestructureerde grammatica, zijn vaste plaats voor het werkwoord en zijn woorden die zeer specifiek de wereld beschrijven. Het Nederlands verplicht tot precisie en het vernielt de barokke, typisch Slavische taalconstructies.

Het Nederlands dwingt je om van een abstracte, soms vage redenering een concrete zin te smeden. Alles duidelijk benoemen, voorzien van het correcte lidwoord en alle woorden in de juiste slagorde. In het Nederlands is er weinig ruimte voor een dubbele betekenis want er heerst nauwelijks schrik voor de herhaling van twee identieke woorden in een tekst. Mijn moedertaal, het Pools, barst van de homoniemen (zo betekent het al geciteerde woord laurka ook “kleine Laura”). Dat kan voor linguïstische humor zorgen maar evengoed voor misverstanden. De zinnen in het Nederlands zijn korter dan in het Pools of Russisch, want de schoonheid schuilt niet in de herhaling maar wel in de minimalistische, bijna chirurgische precisie, die de betekenis scherp snijdt en diep in de ziel hakt.

Ik ben moeder geworden in een Nederlandstalige omgeving. Mijn materniteitswoordenschat is helemaal in het Nederlands gevormd. Ik zong voor onze kinderen Poolse wiegeliedjes, maar hun materiële wereld bestond volledig uit ‘rompertjes’, ‘lopertjes’, ‘luieremmers’ en andere objecten die ik in mijn moedertaal niet kan benoemen maar enkel kan beschrijven. Anderzijds kent het Pools het woord ‘usypianie’, vrij vertaald: ‘in slaap wiegen’. Dat betekent concreet dat Poolse jonge ouders pal naast hun in slaap vallend kroost blijven zitten en wachten tot het kind diep en regelmatig ademt. Desnoods urenlang. In het Nederlands was ik van die usypianie bevrijd. Deze eeuwenoude traditie is bij mijn dochter gestopt.

Talige trots

In Polen heb ik nooit een tuin gehad. In België wel. Van de weeromstuit kleurt mijn tuinwoordenschat zeer Vlaams. Toen de filosoof Ludwig Wittgenstein concludeerde dat ‘de grenzen van mijn taal de grenzen van mijn wereld zijn’, dacht hij niet direct aan zuigelingen of tuintjes. Maar misschoen zouden we, door de eigen grenzen te verleggen, bijvoorbeeld de huidige Griekse problemen beter kunnen begrijpen.

Helaas: noch in het Nederlands, noch in het Duits, noch in het Frans, noch in andere talen van de eurozone bestaat het woord dat in het oud-Grieks als hybris klinkt. Hybris betekent overdreven trots of hoogmoed. Wie lijdt aan hybris, is schuldig aan zijn eigen ongeluk omdat hij na het overschrijden van een onuitgesproken grens met een vorm van verblinding wordt getroffen en daardoor niet merkt dat hij zijn ondergang tegemoet ijlt.

Er wordt te weinig geschreven en gepraat over de schoonheid van de Nederlandse taal. Alsof een dergelijke talige trots een vorm van hybris zou zijn. Alsof de liefde voor deze taal een soort collaboratie met de niet-Romaanse beschaving zou impliceren.

Ik wil zo graag dat mijn dochter Laurka, die na de vakantie naar de middelbare school gaat, meer uren Nederlands op school zou krijgen. Dat ze de schoonheid en de wijsheid van de eigen taal zou mogen leren en slechts in mindere mate die van het Latijn of Grieks. Dat zij en haar medeleerlingen meer Nederlandstalige poëzie uit het hoofd zouden leren, dat deze jongeren teksten in het Oudnederlands leren kennen en dat ze de canon en véél meer van de Nederlandstalige literatuur zouden lezen.

Zevende maand

In een globaliserende wereld moeten we onze taalwortels beter verzorgen om onze stralende glimlach te bewaren, om schaamte en een stinkende adem te vermijden en om de tongspieren te blijven trainen in de perfecte articulatie van onze identiteit.

De naam ‘juli’ werd bedacht om Gaius Julius Caesar te eren. Dat vinden we niet slecht, want Julius Caesar was de Romeinse heerser die de Belgen als “de dappersten aller Galliërs” omschreef. Maar in het Oudnederlands klinkt de naam van de zevende maand zachter, meer zomers en zintuiglijker. Hooimaand. Leve de hooimaand.

(Maja Wolny is een Pools-Belgische auteur en journaliste die sinds 2002 in België verblijft. Momenteel werkt ze aan een boek dat in juli 2016 bij De Bezige Bij verschijnt.)

lees ook