De stille weg naar de Arabische Opstand van 1916

De Eerste Wereldoorlog in het Nabije Oosten opende de hoop voor de "Arabische natie" om na eeuwen van onderwerping opnieuw op de voorgrond te treden. De ontnuchtering was echter groot en tekent tot op vandaag de frustratie in de regio.
2013 Getty Images

Sinds de 16e eeuw beheerste het Turks-Ottomaanse rijk niet enkel het huidige Turkije en de Balkan, maar ook Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Na 1517 eigenden de Ottomaanse sultans zich ook nog de titel van "kalief" toe, de leider van de soennitische islam als "opvolger" van de profeet Mohammed.

In de 19e eeuw is het multi-etnische rijk echter in verval en rond de eeuwwisseling stak bij de Arabische volkeren de hoop de kop op om het Turkse juk af te werpen en opnieuw een rol van betekenis te spelen. In het door Turken onderworpen Syrië en Irak staken ondergrondse nationalistische Arabische groepen de kop op zoals al-Fatat en al-Ahd die droomden van een onafhankelijke en eengemaakte Arabische staat.

Het probleem was wie die staat moest leiden. Eén belangrijke kandidaat was Husayn ibn Ali, de sharif van de voor moslims heilige stad Mekka en afstammeling van de profeet Mohammed. Zijn Hashimitische dynastie zou later regeren over Irak en doet dat nu nog altijd in Jordanië.

Officieel was Husayn echter onderworpen aan de Turkse sultan-kalief, die troepen gelegerd had in Mekka en Medina. Sharif Husayn was een erg voorzichtig man en wou de Turkse overheerser niet zonder meer voor het hoofd stoten. Zijn zonen Faysal en Abdullah -later respectievelijke heersers over Irak en Jordanië- legden echter contacten met de nationalistische bewegingen.

De droom van de "Arabische natie"

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de intrede van het Turks-Ottomaanse rijk aan de kant van Duitsland openden echter mogelijkheden om de Arabische verzuchtingen te realiseren. Al voor het begin van de oorlog had prins Abdullah ibn Husayn contacten gelegd met de Britse autoriteiten die Egypte controleerden. Hij polste hen toen naar eventuele Britse steun bij een conflict met de Turken.

In de 19e eeuw hadden de Britten de Turken gesteund tegen de Russen, maar nu de sultan de kant van Duitsland gekozen had, lagen de belangen anders. Zeker nadat de Turkse sultan en kalief Mehmed V op 11 november 1914 de jihad of heilige oorlog had uitgeroepen tegen de geallieerden.

Met Duitse steun probeerden de Turken niet enkel via de Sinaï door te stoten naar het voor de Britten zo belangrijke Suezkanaal, de levensader naar het Brits-Indische rijk. Ook waren de Britten beducht voor mogelijke nationalistische opstanden in hun protectoraten Egypte en Jemen, en voor herrie met de grote moslimminderheid in Brits-Indië.

Voldoende redenen voor de Britten om vanuit Caïro diplomatieke contacten af te tasten, zowel met de Arabische nationalistische groepen zoals al-Fatat, als met de Hashimieten van sharif Husayn, Golfstaten zoals Koeweit en de stammen in het binnenland van Arabië zoals de Saudi's.

Daartoe werd vooral beroep gedaan op archeologen en oriëntalisten zoals Gertrude Bell, William Shakespear, Saint-John Philby en de legendarische T.E. "Lawrence of Arabia". Bell (foto) en Lawrence neigden vooral naar de Hashimieten van sharif Husayn, de andere drie legden vooral contacten met Abdel Aziz ibn Saud, de leider van de Nejd en vader van het huidige Saudi-Arabië.

De tijd van gebroken beloftes

U ziet dat met de Hashimieten en de Saudi's de contouren van het huidige Midden-Oosten beginnen vorm te krijgen, maar het Turks-Ottomaanse rijk bleek taaier dan gedacht en kon bovendien rekenen op Duitse hulptroepen, adviseurs en modern wapentuig. Dat bleek al door de mislukte geallieerde landingen nabij Gallipoli in het voorjaar van 1915.

In het "Damascus Protocol" van 1914 zegden de Arabische nationalisten in Irak en Syrië hun steun toe aan sharif Husayn als die in opstand zou komen tegen de Turken. Met Britse steun hoopten ze nadien een Arabische staat tot stand te brengen die naast het Arabische schiereiland ook het huidige Irak, Syrië, Libanon en het heilige land zou omvatten.

In juni 1915 overlegde sharif Husayn met zijn zonen. De oudste, prins Ali, vond een opstand tegen de Turken te gevaarlijk. Prins Abdullah (latere koning van Trans-Jordanië) was voor een rebellie en prins Faysal (later koning van Irak) pleitte voor voorzichtige onderhandelingen met de Britten in Egypte en India.

De inzet was hoog, want de toekomst van de Hashimitische dynastie stond op het spel. Op 14 juli 1915 begon sharif Husayn met de geheime correspondentie met sir Henry McMahon, de Britse Hoge Commissaris in Egypte over de voorwaarden voor een Arabische opstand en de steun die Londen daaraan wou verlenen.

De Husayn-McMahon-correspondentie

Wat volgde was een geheime en uiterst voorzichtige paringsdans tussen twee totaal vreemde en elkaar wantrouwende partijen: de Britten en de Hashimieten. Een jaar lang werd in het diepste geheim brieven verstuurd.

De Arabieren wilden weten hoeveel steun de Britten in troepen en wapens wilden verlenen, maar wilden tegelijk ook garanties voor wat er zou moeten gebeuren eens de Turken verdreven waren.

De Hashimieten hoopten en verkregen een Arabische statenbond die het Arabische schiereiland tot de Turkse, Perzische en Egyptische grens zou omvatten met uitzondering van het Syrisch-Libanese kustgebied, Koeweit (een andere bondgenoot van Londen) en de Britse enclave Aden in Jemen. Dat was een vrij groot en niet erg homogeen gebied, maar de Britten gingen officieel akkoord.

Op 10 juni 1916 begon de Arabische Opstand openlijk met een aanval van de Hashimieten op het Turkse garnizoen in Mekka, spoedig gevolgd door gevechten in Medina en andere steden van de Hidjaz, het kustgebied van de Rode Zee. De teerling was geworpen en "Lawrence of Arabia" (foto) zou spoedig aan het hoofd van zijn Arabische kamelenkorpsen de geschiedenis binnenrijden.