"Later op een boerderij wonen en werken? Misschien wel"

Een week leven en slapen tussen de paarden, ezels, kippen en konijnen. Waar de laatste tijd steeds vaker wordt geroepen dat kinderen nauwelijks nog buiten komen en nog veel minder weten van de natuur, kiezen nog steeds heel wat onder hen voor een vakantie “op de boerenbuiten”. Veelal plezier, met toch één klein minpuntje. “De haan kraait écht veel te vroeg.”

We rijden de E40 af in Merelbeke. Na amper een kwartiertje rijden, stuurt de gps ons een afgelegen wegje in. Langs lange uitgestrekte vlaktes –de Makegemse bossen, vernemen we later-, komen we aan op onze bestemming. Mochten er nog twijfels bestaan over het soort kamp dat we deze week een bezoekje brengen, worden die snel weggewerkt door de balkende ezel en de kraaiende haan die we horen bij het uitstappen.

Even later verdwijnt de hemelse rust van het landschap als sneeuw voor de zon. Zo’n 24 kinderen -opgedeeld in een “jongere” en “oudere” groep- geven namelijk het beste van zichzelf tijdens de voorlaatste dag van hun boerderijkamp. Het is iets over 10 uur en de snijplankjes en messen worden al naarstig gebruikt. Samen met de animatoren, boer Patrick en helper-van-dienst Brent maken de 6- tot 13-jarige kinderen hun eigen pizza’s. Van het snijden en bakken van de groentjes, het beleggen van de bodems tot het opruimen van de tafels: alles doen de kinderen zelf.

“Terwijl we de laatste jaren mindere interesse zien voor de paardrijkampen, merken we dat de interesse voor onze boerderijkampen constant blijft”, zegt Cato Vervecken van kamporganisator Free-Time. Zij bieden hun kamp al enkele jaren aan in kinderboerderij ’t Bakkershof in Merelbeke, niet onbekend bij sommige deelnemers van het kamp.

“Het is zeker niet zo dat alle kinderen hier naartoe moeten komen van hun ouders. Veel kinderen kiezen hier bewust zelf voor. Dat komt volgens mij omdat het niet té avontuurlijk is. Vaak is er de keuze tussen de zee of de Ardennen. Een boerderijkamp ligt daar tussenin.”

Eens de pizza’s onder het goedkeurend oog van de kinderen naar de keuken worden gebracht, is het tijd voor post. “Vanaf de eerste dag kregen de kinderen al brieven en kaartjes”, klinkt het bij de animatoren. “Vandaag valt het nog mee, maar gisteren was het echt een grote stapel.” Wat volgt is een schouwspel dat zich in zowat élk kamp voordoet. Blijdschap in de ogen van zij die hun naam horen vallen, teleurstelling bij de rest.

De kinderen worden zichtbaar moe. Ze hebben er dan ook al een drukke week opzitten. “Het is inderdaad een goedgevuld programma”, zegt animator Shelley. “Zo zijn we naar een imker gegaan die ons alles heeft uitgelegd over de bijen. We hebben ook een geitenboer bezocht, die ons toastjes met geitenkaas en geitenmelk heeft gegeven. Daar zijn we trouwens naartoe gegaan met de huifkar. Daarnaast hebben we ook brood, koekjes en pizza gebakken en hebben we mannetjes geknutseld uit klei.”

Een boerderijkamp zonder het verzorgen van dieren is natuurlijk geen boerderijkamp. “Ze hebben enkele dieren eten gegeven en hebben ook mee de stallen opgeruimd. Ik had verwacht dat ze dat vies zouden vinden, maar ze vonden het echt leuk. Zelfs de hoop uitwerpselen van een paard die hier op de koer lag, wou zowat iedereen opkuisen. Het is toch een bewijs dat kinderen bewust voor dit kamp kiezen.”

Een zelfde geluid horen we bij de kinderen. Zowat iedereen beantwoordt de vraag “wat vond je van de afgelopen week?” met “goed”. Kort, maar duidelijk.

Over wat dan exact het leukste was, lopen de meningen uiteen. Perfect normaal, vindt boer Patrick. “Het zijn heel wat verschillende activiteiten, waardoor iedereen hier altijd wel iets leuk vindt. Ik ben blij als de kinderen blij zijn. En als ze iets hebben bijgeleerd.”

Het is intussen 12 uur. Enkele magen knorren nog luider dan het eeuwige gebalk van de ezel. De redding is gelukkig nabij. Het barbecuevlees en de saladebar in de kantine staan al klaar. Het smaakt, zo mogen we opmaken uit het aantal keer dat sommige kinderen gaan aanschuiven. De keuze tussen een kippenbout, een chipolata, een kippenworst en een gemarineerd koteletje is dan ook niet van de poes. “Dit is mijn vijfde stuk”, laat een enthousiaste kleine Lars weten.

Na de middag is het tijd om de magen wat rust te gunnen. “Weet je wat ik het leukste moment van de week vond? Het ritje met de huifkar”, vertelt Tilly ondertussen. “Ik was die dag jarig en mocht daarom vooraan in de koets zitten.” De keuze voor het boerderijkamp was voor haar en broer Wannes dan ook een bewuste keuze. “Wonen op een boerderij zie ik wel nog zitten, aangezien ik het verzorgen van de dieren wel leuk vond.”

Ook Janne ziet wel iets in een boerderij als toekomstige woonplaats. “Ik wil later graag veel dieren. En op een boerderij is er veel plaats om vrienden te laten slapen”, argumenteert ze haar reden.

Wannes wou daarentegen vooral eens kijken hoe het eraan toegaat op een boerderij. “Misschien kom ik volgend jaar nog eens terug, maar echt wonen op een boerderij? Neen, dat niet.”

De kinderen vermaken zich duidelijk in de vrije natuur en tussen de dieren. Al is er wel één minpuntje, zo zeggen zowat alle deelnemers van het kamp. “De ezel en de haan maken écht veel lawaai. Ook ’s ochtends vroeg. Neen, het zijn onze vrienden niet.”

Net voor ons vertrek komen twee kinderen in alle paniek aangerend. Ze komen net van bij de zwangere ezelin. “Het is zover. Ze is aan het bevallen, want ze is aan het puffen en zweten. Ze blijft maar plassen”, klinkt het luid. Plassen was het niet echt, maar het water was alleszins wel gebroken. Spannender dan dat kan het amper nog worden.