De euro en de opluchting van de Britten - Ivan Ollevier

Toen in 2002 de eurobiljetten in omloop werden gebracht, maakte zowat heel Europa zich vrolijk over de Britten. Het Verenigd Koninkrijk was van de drie EU-landen die de munt toen niet invoerden, het meest vooraanstaande. “Ze missen de boot,” hoorde je toen zeggen. “Ach, geef ze vijf jaar en ze hebben er al spijt van.” Of: “Het komt er wel van. Ooit zien ze het licht.” En kijk, we zijn dertien jaar later. De eurozone is in een diepe crisis, terwijl het Britse pond (en de Britse economie) floreert. Londen is meer dan ooit hét financiële centrum van Europa, meer nog dan Frankfurt of Parijs. Hadden de Britten gelijk, in 2002?
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Mickey Mouse-landen

In juli 2003 trok ik voor (wijlen) Ter Zake naar Londen. Of de Britten zich niet wat eenzaam voelden in Europa, als een van de drie niet-eurogebruikers? En wat vond de financiële wereld ervan, en de consument? Een marktkramer in Berwick Street, in hartje Soho, wond er geen doekjes om: “Die Europese landen, ze bedriegen ons terwijl we erbij staan. Frankrijk, de Duitsers, en uw land, ze bedotten ons. We hebben jullie niet nodig, jullie hebben ons nodig.” Nog een andere noemde de andere lidstaten “Mickey Mouse-landen”: “Als we bij de eurozone gaan, zijn wij het die uiteindelijk voor jullie zullen mogen opdraaien.”

Zelfs de financieel expert van de KBC in Londen gaf toe dat de City niet wakker lag van de euro: “De Londense City bloeit weer op, en de Britse economie doet het goed in vergelijking met veel eurolanden, zelfs met Duitsland.” De buitenlandse investeerders in het Verenigd Koninkrijk zijn in de eerste plaats Amerikanen en Japanners, wist hij nog te vertellen.

De tests van Gordon Brown

Juli 2003 was het moment dat de Britse regering de knoop door moest hakken over een toetreding tot de eurozone. De toenmalige minister van Financiën Gordon Brown had vijf tests opgesteld waaraan de Britse economie moest voldoen voor er van toetreding sprake kon zijn. Dat was politiek slim bekeken van Gordon Brown, want de eurosceptische Chancellor of the Exchequer moest in deze kwestie opboksen tegen zijn overenthousiaste premier Tony Blair, die stond te popelen om toe te treden.

Hoeft het gezegd dat Gordon Brown zijn tests zo had opgesteld dat het uitgesloten was dat het land ooit zou slagen? De analyse van de Schatkist bezorgde hem vuurvaste argumenten, en dat had hij ook zo ingecalculeerd. Communicatie was niet Gordon Browns sterkste punt, maar hij was wel een geslepen politicus die iets afwist van financiën en economie.

Zo’n afwijzende houding tegenover de euro was in die tijd allerminst een comfortabel standpunt. In de kring rond Gordon Brown gingen wel stemmen op die ervoor waarschuwden dat de euro uit zou groeien tot een ondemocratisch monster, maar door de band genomen was de goegemeente, Tony Blair voorop, overtuigd van de zegeningen van een eenheidsmunt. Zoals The Guardian enkele jaren geleden schreef: “Wie van de euro hield, was beschaafd, was een kunstliefhebber, en ging op vakantie in Toscane of de Dordogne. Wie er niet van hield, reed met een witte bestelwagen waar de vlag van St. George op prijkte."

Een dubieus basisidee

Of was een rabiate conservatief uit de stal van Margaret Thatcher, zou je er kunnen aan toevoegen. Norman Lamont was er zo één. Hij diende onder de IJzeren Dame onder meer als minister voor Energie, voor Industrie, later van Defensie en minister van de Schatkist. Onder John Major was hij jarenlang minister van Financiën. Iemand met onbesproken conservatieve geloofsbrieven dus. In 1991 was hij betrokken bij de onderhandelingen over de Britse opt-out van de eenheidsmunt, het recht dus van het Verenigd Koninkrijk om geen deel uit te gaan maken van de eurozone.

Toen al, schreef hij recentelijk in The Daily Telegraph, was duidelijk dat het project niets met economie te maken had, maar alles met politiek. Het basisidee was van in den beginne dubieus, schreef Lamont, en is later een fout met historische dimensies gebleken. Bovendien had Griekenland nooit tot de muntunie mogen toetreden, omdat het daar economisch en financieel gezien niet klaar voor was (Lamont noemt overigens nog twee andere landen die de toetreding hadden moeten worden ontzegd, met name Italië en België).

Het belang van vertrouwen

Drieënhalf jaar geleden deed ik de Terzake-oefening van 2003 nog eens over. Eind 2011, net voor het jaareinde, ging ik toeristen vragen waarom ze Londen kozen voor hun kerstinkopen. In een razend drukke Oxford Street hadden de meesten het toen over de gezelligheid, maar ook over het Britse pond dat historisch laag stond tegenover de euro. Maar ook dat baarde de City-financiers toen nauwelijks zorgen. Een van hen prees zich gelukkig dat de Britse regering, via haar monetaire beleid, zelf voor een deel de economie van het land kon besturen. Dat de regering naar eigen goeddunken de geldkraan open of dicht kan draaien, schept een sfeer ven vertrouwen, zei een van hen. En vertrouwen is van levensbelang voor de nationale economie.

Zich verkneukelen

Nu, jaren later, lijkt elke discussie bezegeld. Dat het Verenigd Koninkrijk ooit nog tot de eurozone zou toetreden is nu wel helemaal uitgesloten. “It’s hard not to gloat,” het is moeilijk om je daar nu niet zelfgenoegzaam over te verkneukelen, zei een eurosceptische politicus me nog begin mei, in de aanloop naar de parlementsverkiezingen. Ongetwijfeld had de afwijzing vele jaren geleden ook te maken met een Britse, bijna viscerale afkeer van alles wat met het continent te maken heeft en van de Frans/Duitse hegemonie in de Europese Unie. Een irrationele reflex, heel zeker, maar veel Britten halen nu wel opgelucht adem omdat ze niet zijn mee gestapt in een voluntaristisch project dat aan de economie van Europa miljarden aan schade heeft aangericht.

(Ivan Ollevier is journalist bij VRT Nieuws, met een bijzondere belangstelling voor het Verenigd Koninkrijk.)