Wat leren we de kinderen? - Johan Braeckman

De Jean-Jacques Rousseau in mij wordt lichtjes onwel wanneer ik denk aan de vele duizenden uren die kinderen en jongeren in muffe klaslokalen moeten doorbrengen, van hun kleutertijd tot ze min of meer volwassen zijn.

Johan Braeckman is filosoof aan de Universiteit Gent.

Al die tijd dat ze op een schoolbank zitten, kunnen ze niet spelen, niet reizen, geen spannende avonturenboeken lezen, niet in bomen klimmen en niet skateboarden. We denken dus best toch erg goed na over de manier waarop we al die uren voor hen invullen. Ik schat dat ongeveer de helft van de tijd dat ik op school zat, tijdverspilling was. Al die zins- en woordontleding in het lager onderwijs?

Het mogelijke nut ervan valt in het niet vergeleken met het voorleesuurtje van een onderwijzer, elke vrijdag, om de week mee af te sluiten. De boeken die hij voorlas herinner ik me allemaal. Elke zaterdag zocht ik in de bibliotheek naar het voorleesboek, om sneller te weten hoe het verder liep.

Van het herkennen en onderscheiden van de gezegdes en lijdende voorwerpen in die boeken lag ik niet erg wakker. Op de middelbare school losten we honderden differentiaalvergelijkingen op, maar ik denk niet dat er veel leerlingen begrepen wat we precies deden. Zonder een leerkracht wiskunde die een en ander wat historisch duidt en heldere praktische voorbeelden geeft, is het moeilijk om het nut, de zin en ook de schoonheid, van dergelijke oefeningen in te zien.

Wat wel, wat niet?

Maar het probleem zit dieper dan de vaststelling dat veel van wat we kinderen aanleren niet erg zinvol is, of niet als spannend en inspirerend wordt ervaren. Er is ook veel dat we domweg niet aanleren, terwijl het nochtans essentieel is.

Ik leerde noch in het lager, noch in het secundair onderwijs wat drogredenen zijn en hoe ik ze kan herkennen. Er is me nooit uitgelegd in die periode wat een pseudowetenschap is, waarom homeopathie niet werkt en telepathie zo goed als zeker onbestaande is.

Ik leerde veel over de eindproducten van wetenschap, maar nagenoeg niets over de wetenschappelijke methodes zelf. Inzicht in hoe de media functioneren en hoe we degelijke informatie van propaganda en onzin kunnen onderscheiden, werd in geen enkele les behandeld. De essenties pikten we op dankzij de gelukkig verplichte lectuur van Orwells 1984 en Animal Farm. Een kritisch geluid over religie en bijgeloof heb ik in die periode nooit gehoord, ongetwijfelde mede uit een betwistbare vorm van respect voor levensbeschouwelijke opvattingen. Dat mensen zichzelf en anderen automatisch opdelen in groepen en daarbij vrijwel onvermijdelijk de eigen groep hoger inschatten dan de andere, daar heb ik voor zover ik me herinner niks over vernomen voor mijn achttiende.

Van andere fundamentele sociaalpsychologische inzichten, elementair om onszelf en ons groepsgedrag te doorgronden, evenmin. De essenties van de waarschijnlijkheidsrekening, die ons kan beschermen tegen een immense hoeveelheid misvattingen en onzinnigheden kreeg ik pas onder de knie toen ik de schoolbanken al verlaten had. 

Leren denken

Kortom, de fundamentele vaardigheden die ons leren kritisch denken, leerde mijn generatie niet op school. Ik heb er niet meteen een verklaring voor. Het kan niet zijn omdat het saai is. Het tegendeel is immers het geval. Zelfs de meest apathische leerling kan geprikkeld worden door zijn diepste intuïties en sterkste overtuigingen, de natuurlijke vijanden van het redelijke denken, in vraag te stellen.

Misschien is het te moeilijk? Makkelijk is het over het algemeen niet, maar elke vorm van degelijk onderwijs vergt inspanningen. Een leerkracht moet natuurlijk eerst zelf de fundamentele aspecten van kritisch denken onder de knie krijgen, alvorens hij ze kan doorgeven aan jongeren.

Misschien was dat enkele decennia geleden lastig, omdat er relatief weinig bevattelijke literatuur voorhanden was. Dat excuus kan men ondertussen niet meer inroepen. Er zijn tal van goede boeken die ons wegwijs maken in de basisprincipes van het kritische denken en ons wapenen tegen cognitieve dwaalwegen en misvattingen. Elke schooldirecteur zou zijn leerkrachten het boek van Daniel Kahneman, “Ons feilbare denken”, cadeau moeten doen. Of, mocht dat te dik of te technisch zijn, het compacte boek van de Nederlandse filosoof Sebastien Valkenberg, “Op denkles”. In goed veertien hoofdstukken leert Valkenberg ons de meest voorkomende drogredenen, onwetenschappelijke prietpraat en intellectualistische hypes doorprikken.

Elke leerkracht, om het even welk vak men onderwijst, heeft baat bij het verwerven van deze inzichten. Een leerkracht die jongeren hun onzindetector wil ontwikkelen, een fundamentele voorwaarde om hen tot zelfstandig en kritisch denken aan te zetten, moet zich de informatie die Valkenberg met ons deelt eigen maken en ze overbrengen naar de volgende generatie.