Meest recent

    “Accattone”: hard, grauw, direct locatietheater met branie

    Met "Accattone" pakt het vernieuwde NTGent direct hard uit. Johan Simons is na zijn omzwervingen bij de Münchner Kammerspiele terug in het oude, vertrouwde nest en is weer de artistieke leidsman van weleer. De verloren vader is terug en hij zet al de toon waar hij de komende jaren met het NTGent naartoe wil. "Accattone" brengt de duistere kant van het leven naar voren, in een groots opgezette productie. Ambachtelijk, kundig theater, vol passie en vol confrontatie. Niet om warm van te krijgen of blij van te worden, daarvoor is de thematiek té scherp en te gekarteld. Maar het is een soort van theater waar we bij ons al bij al weinig mee te maken krijgen. Nét dat is bijzonder interessant.

    Simons was in de loop van zijn lange carrière (hij is intussen bijna 70) al vaker een minnaar van het locatietheater, zeker toen hij Hollandia leidde. Toen al maakte hij stukken die speelden op parkings, op industriële plekken, in serres en onder bruggen. Bij zijn eerste passage in Gent koos hij eerder voor het pluche en de baarmoeder van het klassieke theatergebouw. Nu kiest hij al direct voor de stap naar buiten.

    "Accattone" ging van de zomer al in première op de Ruhrtriennale in een -naar men zegt- fabuleus decor. Een weidse plek, waar zowel de acteurs als het publiek op de tribune overmand werden door de locatie, die de nietigheid en de traagheid extra beklemtoonde.

    Bedelaar en ploert

    Nu kiest Simons voor een loods, een houtopslagplaats in de haven van Gent. Kleiner, maar toch nog groot. Dat geeft op zich al een aparte sfeer. Als toeschouwer moet je eerst de loods doorwandelen richting je zitje, het grote, het ruimtelijke en het bijna ongrijpbare wekt indruk. En als je dan nog eens een muzikale grand cru mag ontkurken, in de vorm van het Collegium Vocale met Philippe Herreweghe als dirigent, kan je zeggen dat er alles aan is gedaan om je als toeschouwer te imponeren. Locatie én muziek (de ene na de andere cantate van Johann Sebastian Bach streelt je oren) én een keurgroep van acteurs spelen. Brengen. Tonen. Duwen. En confronteren.

    "Accatone" is gebaseerd op de eerste film van de Italiaanse regisseur Pier Paolo Pasolini, de rebel die in de jaren 60 en 70 frappante cinema op het witte doek gooide. Hard, direct, grauw, obsceen én maatschappijkritisch. Pasolini, kritisch, non-conform en communistisch moest het trouwens met zijn leven bekopen want hij werd 40 jaar geleden vermoord teruggevonden. De tragiek van een hoofdfiguur, zoals in dit stuk ook.

    Die hardheid, dat gebrek aan glamoureuze of amoureuze pigmenten vind je ook terug in Simons’ enscenering. Accatone is eigenlijk Vittorio Cataldi, maar “er zijn al genoeg Vittorio’s, er is maar één Accattone”. Het is Italiaans voor “bedelaar” en in die zin ontwikkelt het personage zich ook. Een egoïstische ploert die vrouw en kind heeft laten zitten om als pooier door het leven te gaan en onderweg nog wat prostituees (zoals Maddalena en Amore) uit te melken, te beschimpen en te behandelen als een stuk wrakhout. Accattone laat zich omringen door een zootje ongeregeld, een amalgaam van dieven, halfslachtige boeven en onbetrouwbare vlegels (zoals Pio en Balilla) die hem in zijn rol versterken, maar ook afstoten. Vrienden als het hen uitkomt. In Italiaanse sferen ruik je dan al snel de odeurs van Danteske personages, ja zelfs maffiafiguren.

    Tot Accattone plots een ster voor zich ziet verschijnen, Stella, die hem zowaar tot de razernij van de verliefdheid drijft. Plots wordt de verschoppeling, de sukkel, de dronkaard en de klootzak weer een mens van vlees en bloed. Om er dan uiteindelijk toch aan onder door te gaan, tragisch, maar ook futiel.

    Underground

    "Accatone" is regisseurstheater pur sang. Simons smeert zijn coloriet ten volle uit. Met natuurlijk die enorme kracht van de locatie: die diepe hal, het treinspoor dat als een soort catwalk dient, een functionele scheepscontainer vooraan die gebruikt wordt als een coulisse in staal. Dat grote en grootse is indrukwekkend, schept een operasfeer en ondersteunt de “underground” waar de personages in ronddwalen. Maar het zorgt ook voor afstand van het publiek, voor een kil en veraf contact. Letterlijk, maar ook qua gevoel.

    Mooi is het detailwerk van alles: het ene personage dat een container binnenstapt waarop het andere op net hetzelfde moment eruit stapt, de kostumering bij de rouwstoet, de sobere accenten als de put in de grond, het stoepkrijt of de kledingwissels met de stukken nog in het plastic, zoals in een boetiek.

    Muzikaal dan, Collegium Vocale doet waar het nu eenmaal enorm goed in is: Bach spelen en zingen. Ik ken er die een oor willen afsnijden om hen live te horen. Hemels bij momenten, maar ook zwart en somber soms, zoals de personages, zoals de sfeer. Iedereen is verwrongen, getormenteerd, getekend en staat vol littekens. De gezongen teksten over lijden, pijn, maar ook zaligheid en momentaan geluk passen wonderwel. En ik moet er wellicht niet bij vertellen dat het muzikale niveau van het hoogste, zoetste en beste is dat je kan hebben.

    Jammer is wel dat bij momenten de scheidingslijn tussen de acteurs en het Collegium Vocale zo duidelijk is. Vaak gaat de muziek gepaard met “tableaux vivants” op de scène. Ik ben benieuwd wat het had gegeven, mochten muzikanten en acteurs meer hebben gemengd, meer samenspel hadden opgezocht.

    Doorleefd Duits

    En dan de acteurs? Van goed tot zeer goed. Een zeer overtuigende Accattone en Stella, enkele randfiguren (letterlijk) springen er wat minder uit. De bij het Vlaamse theaterpubliek bekende Steven Van Watermeulen, Elsie De Brauw en Benny Claessens (de lijvige poulain van Jan Decorte én van Johan Simons) passen hun beproefde formule toe en dat volledig in het Duits. Zonder me als een kenner van de taal van Goethe te willen profileren, leek me dat toch dicht bij de perfectie te zitten. Doorleefd, doorwrocht en doorgesproken, niet zomaar een Duits keurslijfje aangetrokken. Neen, je voelt dat ze ’t voelen. En plots is de Duitse taal niet meer die maalstroom aan klanken uit donkere tijden, maar schoon, zwierig, gezwind en wervelend. Wie ein Schmetterling.

    Dus is “Accattone” goed theater? Zeker. Projecten van dat kaliber zie je hier maar zelden en een sfeer, een gemoed, een confrontatie langer dan twee uur aanhouden doe je niet zomaar. Zeker niet in een grote hal en met de mogelijke verstrooiing van barokke klanken.

    Maar toch miste ik bij momenten de warmte van het toneelspel, de fonkeling van het moment, de streling van het publiek, de warmte in je omdat voor je mensen mooi staan te “spelen”. Al zal dat ook de bedoeling geweest zijn. In de rand van de maatschappij (Pasolini baseerde zich voor zijn tekst trouwens op zijn harde tijden in de buitenwijken van Rome) is er geen plaats voor warmte, knuffels en zachte zoetigheid. “Of ik ga kapot aan de wereld of de verdomde wereld aan mij”, schalt Accattone. Geen plaats voor doetjes, overleven is de boodschap.

    Voor de stad

    Deze “Accatone” is een must voor de liefhebbers van de groteske aanpak, op zijn Duits. Noem het barok, noem het opera. Het is een excellente vormoefening, het is theater uit een andere lade. Minder het gezellige, fluwelen, volkse en kneuterige dat bij ons vaak wordt gebracht, trouwens soms op bijzonder hoog niveau. Maar hier moet je om kunnen met filmische, trage, gestileerde momenten. Met zwart en hard en donker en grauw. Ik zag dat dat voor niet iedereen in het publiek even vlot liep. Hapklaar is het allemaal niet.

    Hoe dan ook, Johan Simons is terug en met “Accattone” zet hij de toon voor wat hij wil doen bij NTGent de komende jaren. Het zal er niet altijd als zoete koek in gaan, het zal soms wringen en kauwen worden. Maar wel met visie, passie, durf en vol uitdagingen. En kunde. Daar kan een stadstheater én bij uitbreiding een stad als Gent alleen maar bij gebaat zijn.