Edith Cavell 100 jaar geleden gefusilleerd

Op 12 oktober 1915, honderd jaar geleden, richtte een Duits vuurpeloton zijn geweren op de 49-jarige Edith Cavell. “Je meurs pour Dieu et ma patrie,” zei ze, vermoedelijk met een zwaar Engels accent. De soldaat die haar geblinddoekt had, zei later dat ze tranen in haar ogen had.

De domineesdochter uit een Engels plattelandsdorp in de buurt van Norwich woonde al acht jaar in Brussel. Ze was behoorlijk laat aan haar verpleegsterscarrière begonnen: eerst was ze gouvernante geweest, in Engeland, Duitsland en Brussel.

Pas op haar dertigste was ze aan haar opleiding begonnen, in het hart van de Londense East End, tussen de bordelen, kroegen en pakhuizen, in een staatsziekenhuis waar het wrakhout van de samenleving aanspoelde. Maar dat vond Edith Cavell niet erg: de steile dominee Frederick Cavell had haar opgevoed in een geest van christelijke naastenliefde en dienstbaarheid, en Edith was ervan overtuigd dat ze er haar hemel mee verdiende. 

Ze leerde er bedpannen oliën, spalken schoonmaken, medicinale bloedzuigers aanbrengen en patiënten klaarmaken voor operaties, allemaal in de geest van Florence Nightingale, die de verpleegkunde in Engeland geprofessionaliseerd had.

In 1907 kwam er een uitnodiging uit Brussel. De befaamde arts Antoine Depage was onder de indruk van de Engelse verpleegstersopleidingen en wilde die in België introduceren. Via de Brusselse familie bij wie ze gouvernante was geweest, kwam hij bij Edith Cavell terecht.

De verpleegkunde was in België helemaal in handen van nonnen, meestal zonder veel kennis en opleiding. Depage wou dat veranderen. Dat Edith Cavell vloeiend Frans sprak en vertrouwd was met de Belgische levensstijl, waren beslist aanbevelingen.

De nieuwe school van Depage lag in de Brusselse gemeente Elsene. Hij wou er ook een ziekenhuis, een verpleeghuis en een agentschap vestigen dat de afgestudeerde verpleegsters over het land zou uitsturen.

Cavells enthousiasme was niet te stuiten: ze ontwierp zelf de verpleegstersuniformen, hield toezicht op de patiënten, ontving sollicitanten, gaf les. Bij operaties was zij het die de chirurg assisteerde. Marie Depage, de vrouw van dokter Depage, deed de administratie en de boekhouding.

De school werd al snel geprezen om haar uitstekende opleiding en voorzieningen. In de Brusselse gemeente Sint-Gillis kon het tweetal in 1910 een nieuw en modern ziekenhuis bouwen met tweehonderdvijftig bedden.

Antoine Depage en Edith Cavell tussen hun eerste leerling-verpleegsters

Cavell legde de verpleegsters een ijzeren discipline op, niet alleen professioneel maar ook privé: geen relaties tussen verpleegsters en artsen of studenten, op tijd de lichten uit en verpleegsters met trouwplannen werd de deur gewezen.

Niets mocht de inzet en de toewijding in het gedrang brengen. Het waren eisen die de preutse Cavell ook aan zichzelf stelde: ze stond bekend om haar ascese en had nauwelijks bezittingen.

Toen eind juli 1914 de oorlogsdreiging toenam, was Cavell in Norwich, waar ze haar vakantie doorbracht bij haar moeder. Al snel keerde ze naar Brussel terug. In geval van oorlog zou het land haar expertise nodig hebben, vond ze.

Op 4 augustus viel Duitsland België binnen en verklaarde Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland. In Norwich daagde het bij moeder Cavell dat haar dochter was teruggekeerd naar een oorlogsgebied.

Cavells school en woning in de Cultuurstraat

"De verloren kinderen"

In de brieven aan haar moeder die Cavell de grens met Nederland liet oversmokkelen, had ze het over de vernietiging van de Belgische steden, over het dure voedsel en over “de honden van de oorlog”.

De brieven staan vol anekdotes: "Op een tram vroeg een Duitse officier beleefd een man om een vuurtje; die gaf hem zonder een woord te zeggen zijn sigaar, en toen hij die terugkreeg, gooide hij hem in de goot."

Op 23 augustus vond in Henegouwen het eerste treffen plaats tussen de oprukkende Duitse legers en een pas aangekomen Britse interventiemacht. Veel gewonde Britse militairen werden in Duitse ziekenhuizen verzorgd, uiteraard als krijgsgevangenen.

Twee van hen, kolonel Dudley Boger en sergeant Fred Meachin, slaagden er op een dag in over de ziekenhuismuur te klimmen en te ontsnappen. Nadat ze zich enige weken in een schuur hadden verscholen, nam een vriend van de boer hen mee naar Brussel.

De kille en natte avond van 1 november stonden de drie mannen voor de deur van de school van Edith Cavell. Bogers beenwonde was nog altijd niet geheeld, hij had een baard en was gekleed als een Belgische fabrieksarbeider; Meachin had lappen stof in zijn jas gepropt om er uit te zien als een bultenaar.

Toen ze na achttien dagen voldoende waren uitgerust, voorzag Edith Boger en Meachin van verse kleren en zocht ze een gids die hen naar Nederland kon brengen. Meachin kon ontkomen, maar Boger werd gearresteerd nog voor hij Brussel verlaten had, en bracht de rest van de oorlog door in een krijgsgevangenenkamp.

Zij waren de eersten van de zogenaamde “enfants perdus”, soldaten die vastzaten in bezet gebied, die Cavell kon helpen.

Soldatensmokkel

Om nog meer ondergedoken Britse militairen te vinden, te verzorgen en naar het buitenland te brengen, ontstond een heus netwerk met als centrum het kasteel van Bellignies, nabij Bavay, even over de Franse grens.

Daar woonden prins Reginald de Croÿ en zijn zus Marie, samen met hun Engelse grootmoeder. Als diplomaat kon de prins relatief gemakkelijk naar Nederland of zelfs Londen reizen. Daar kreeg hij fondsen van de Britse regering, en kwam hij in contact met de vrouw van kolonel Boger, die hem vertelde over de Engelse hoofdverpleegster in de school van Dr. Depage.

De maanden daarna gidste de prins tientallen Britse soldaten van zijn kasteel naar de school in Elsene, van waaruit ze naar de Nederlandse grens werden gebracht.

Het mag een wonder heten dat Edith Cavell er maandenlang in slaagde zoveel Britten onderdak te geven en de grens over te helpen. De gasten genoten van de relatieve veiligheid en vrijheid die de school hen bood en sprongen daar vaak nonchalant mee om.

In een naburig café dronken ze zich soms lazarus, probeerden ze Brusselse meisjes te versieren en keerden in het holst van de nacht naar de school terug, luidop “It’s a Long Way to Tipperary” zingend.

Op een gegeven moment zaten er tachtig soldaten in de school verborgen. Overdag dwaalden ze door de stad, terwijl Edith zo goed en zo kwaad als het ging de dagelijkse routine in de school handhaafde. ’s Avonds keerden ze naar hun britsen terug.

Ze maakte zich zorgen dat hun typisch Engelse manier van stappen hen zou verraden en ze wist dat de Duitse huishoudster van de school niet te vertrouwen was.

Burgers en Duitse militairen op het Rogierplein

Roekeloos

Het was duidelijk dat Cavell onnodig grote risico’s nam. Op kerstdag 1914 organiseerde ze een feestje voor vluchtelingen en hun kinderen, waarop ze ook enkele van haar Engelse gasten uitnodigde.

Ondertussen had het netwerk de hulp gekregen van een advocaat die valse papieren voor de soldaten fabriceerde. Een Brusselse architect, Philippe Baucq, verzamelde fondsen en hielp met het aanmaken van nieuwe identiteiten.

In het bezette Brussel wemelde het van verklikkers, spionnen en agents-provocateurs. Edith Cavell was er zich van bewust dat de school in de gaten werd gehouden.

Tegen een vriendin zei ze: "Als ze ons arresteren, worden we hoe dan ook gestraft, of we nu veel hebben gedaan of weinig. Laten we dus voortdoen en zo veel mogelijk van deze onfortuinlijke mannen helpen."

Soldaten die ze had geholpen, verdwenen op onverklaarbare wijze (vermoedelijk ging het om spionnen). Een Duitse officier kwam informeren of er een bed vrij was voor zijn gewonde zoon. Een man van de geheime politie kwam vragen of er nog “Tommies in huis waren”. De dag daarop doorzocht hij de school, maar vond niets verdachts.

Prins de Croÿ eiste dan ook dat ze haar verzetsactiviteiten staakte, maar ze luisterde niet. Wel was ze het ermee eens dat de prins geen Britten meer zou doorsturen, maar de evacuatie van de dertig soldaten die op dat moment in de school verbleven, zou wel doorgaan.

Op 31 juli 1915 arresteerde de Duitse geheime politie Philippe Baucq. Op donderdag 5 augustus was het de beurt aan Edith Cavell. Na op de Kommandantur gevoerd te zijn geweest, werd ze op 7 augustus overgebracht naar de gevangenis van Sint-Gillis.

Netwerk opgerold

Maandenlang hadden de Duitsers informatie over haar ingezameld; het enige wat van Edith Cavell verwacht werd, was dat ze die bevestigde: dat een Waalse ingenieur zeker veertig Britse soldaten de weg naar haar ziekenhuis had gewezen; dat prins de Croÿ zes of zeven keer zo’n vijftien Fransen en Britten bij haar had gebracht; dat boeren uit de omgeving van Mons nog meer dan honderd Franse en Britse militairen naar Cavells school hadden laten overbrengen.

Cavell had geen schijn van kans: de domineesdochter had geleerd dat ze nooit mocht liegen, en dat deed ze dus ook niet. In de dagen erna arresteerde de Duitse politie nog 33 andere leden van het netwerk, maar prins de Croÿ kon tijdig de vlucht nemen naar Nederland.

Ondertussen had het nieuws van haar arrestatie Engeland bereikt, waar haar zwager de minister van Buitenlandse Zaken op de hoogte bracht. Die nam contact op met de Amerikaanse ambassadeur in Londen, en op 27 augustus verstuurde die een telegram aan Brand Whitlock, het hoofd van de Amerikaanse legatie in Brussel (de Verenigde Staten waren op dat moment nog niet in oorlog).

Die had nog nooit van Cavell gehoord, en zag geen reden waarom hij zich voor haar meer zou inspannen dan voor welke andere gevangene ook. Bovendien wist hij dat het over de grens helpen van soldaten door de band genomen niet zwaar werd bestraft.

Edith Cavell en rechts Brand Whitlock

Op 7 oktober werden Edith Cavell en nog 34 anderen naar de vergaderzaal van de Belgische Senaat gebracht waar de Duitse militaire rechtbank zetelde.

Ze bekende dat ze ongeveer tweehonderd soldaten de grens over had geholpen, “niet om uw vijand te steunen, maar om mannen te helpen die mijn hulp hadden gevraagd”. Haar verhoor duurde niet langer dan tien minuten. Voor de rechters was het duidelijk dat Cavell behoorde tot de belangrijkste organisatoren van het verzetsnetwerk.

Toen Whitlock hoorde dat tegen de zes hoofdbeklaagden de doodstraf werd geëist, zei hij: “De openbare aanklager overdrijft altijd; ze vragen altijd de uiterste straf.” Waarop zijn Belgische adviseur antwoordde: “Ja. En in Duitse rechtbanken krijgen ze die ook altijd.”

Het vonnis luidde: “De meeste gevangenen waren zich ervan bewust dat ze voortvluchtige soldaten en mannen met dienstplichtige leeftijd overbrachten naar de vijand. Het was hun welbewuste intentie versterking te sturen aan de vijandige machten…” Van de zes hoofdverdachten werden vijf ter dood veroordeeld, onder wie architect Baucq en Edith Cavell.

Whitlock schoot pas in actie toen verpleegsters van Cavells ziekenhuis en een anglicaanse dominee de adviseur alarmeerden. Hij schreef meteen een brief aan de adjunct van de Duitse gouverneur-generaal, maar wekte daarmee alleen maar diens irritatie op. Het was te laat.

Edith Cavell verlaat haar cel op weg naar de Nationale Schietbaan. Tekening van de Amerikaanse kunstenaar George Wesley Bellows.

Op dinsdag 12 oktober werd Edith Cavell door de nog donkere straten van Brussel naar de Nationale Schietbaan gereden, de plek waar nu de gebouwen staan van VRT en RTBF. Samen met Baucq werd Cavell naar de executiepalen geleid.

De openbare aanklager sprak de twee rijen van acht soldaten toe: dat ze geen gewetenswroeging hoefden te hebben over het doodschieten van een vrouw; ze had geen kinderen en haar misdaden waren vreselijk.

Baucq nam zijn hoed af voor de soldaten : “Devant la mort nous sommes tous des camarades.” Daarop las de aanklager in het Duits de vonnissen voor, de Duitse directeur van de gevangenis van Sint-Gillis vertaalde in het Frans.

Een pastoor nam Cavell, in verpleegstersuniform, bij de hand en een soldaat blinddoekte haar. “Vive la Belgique,” klonk uit de mond van Baucq. De salvo’s verscheurden de ochtendstilte.

Een kogel doorboorde Cavells voorhoofd, in haar borst ter hoogte van haar hart zat een vuistgroot gat. Soldaten legden haar in de kist en droegen haar naar een haastig gegraven graf.

De terdoodveroordeling en executie van Edith Cavell en de andere leden van het netwerk werd in heel bezet België bekendgemaakt via tekstaffiches.

Op 13 mei 1919, ruim een halfjaar na het einde van de oorlog, werd het lichaam van Edith Cavell naar Norwich gebracht. Vlak bij Trafalgar Square in Londen, onthulde koningin Alexandra in 1920 te harer ere een groot monument.

Pas in de jaren 40 ontdekte de huishoudster van Ediths zus in een kussen het restant van een dagboek dat erin was genaaid.

Het gaat over april 1915: “Ik ontdekte een nieuw huis & verwierf de diensten van een man die onze gasten naar onderduikadressen wil brengen waar ze kunnen vertoeven tot het tijd is om te vertrekken. Een lieve, kleine weduwe met een groot huis geeft enkelen onderdak & verricht al het werk zonder dienstbode, opdienen en koken met de beste moed & beste wil ter wereld.”

In Ukkel draagt een ziekenhuis nog altijd haar naam. De Brusselaars spreken die wel op zijn Frans uit: “Cavèlle”.

Deze tekst is een bewerking van een fragment uit het boek “Monnik, boer, spion en hoer. Een scheve kijk op Engeland” van VRT-journalist Ivan Ollevier (uitgeverij Houtekiet/Atlas).

De terugkeer van het lichaam van Edith Cavell op Britse bodem.

lees ook