Amerikaanse ribkwal bouwt blijvende populatie uit in Noordzee

Bijna tien jaar na de eerste introductie is de niet-inheemse Amerikaanse ribkwal erin geslaagd om een blijvende populatie uit te bouwen in het Belgische deel van de Noordzee en de Westerschelde. Dat blijkt uit een doctoraatsonderzoek van Lies Vansteenbrugge (ILVO/UGent).

Het cilindervormige en voor de mens ongevaarlijk kwalletje, dat bij ons ongeveer 6 centimeter groot wordt, is berucht bij wetenschappers, vissers en beleidsmaker vanwege de schade die het aangericht heeft in de Zwarte en Kaspische Zee. "Daar explodeerde de nieuwe populatie in een mum van tijd, ging de sardienenvisserij overkop omdat de vissenlarven werden opgegeten en werd het mariene voedselweb ontwricht", zegt Vansteenbrugge.

Zij voerde veldstudie en laboratoriumexperimenten uit om uit te zoeken waarom de kwal bij ons minder exponentieel groeit en hoe de kwal zich hier gedraagt, voedt, voortplant en verspreidt. Daaruit blijkt onder meer dat de populatie de winter overleeft en dus permanent is. Toch is er geen sprake van een explosieve groei omdat er een terugval is in de winter, de ribkwal voor zijn voedsel in competitie moet treden met inheemse kwallensoorten en die de ribkwal zelfs sporadisch op het menu blijken te hebben.

De hoogste aantallen, tot 18 per kubieke meter water, werden aangetroffen in het halfgesloten gebied De Spuikom in de Oostendse haven en in het Westerschelde-estuarium. "Uit onderzoek blijkt dat deze gebieden als broedplaatsen kunnen worden gezien."

Dat de ribkwal zich met vislarven voedt, kan gevolgen hebben voor commerciële visbestanden, zegt Vansteenbrugge nog. Volgens haar is er behoefte aan meer wetenschappelijke monitoring om niet-inheemse soorten in de gaten te houden in hun ontwikkeling. Voorts zegt Vansteenbrugge dat ook de internationale regels rond ballastwater van schepen, wat het insleepmiddel voor de kwal was, snel door alle landen geratificeerd moeten worden.