Kannibaal Merckx - Johny Vansevenant

Ik behoor tot de "generatie Merckx". Als kind heb ik zijn topprestaties op tv, op radio en in de krant kunnen bewonderen. Met als hoogtepunt de Tour van ’69 die hij met bijna 18 minuten voorsprong won. Om die fijne periode te kunnen herbeleven schreef ik met Patrick Cornillie over zijn ploegmaats het boek "De Mannen achter Merckx" en daarna "Mannen tegen Merckx", over zijn tegenstanders.

Johny Vansevenant is Wetstraatjournalist en wielerfanaat.

Voor beide boeken had Eddy een inleidend interview gegeven en dat smaakte naar meer. Drie jaar geleden kreeg ik groen licht dat ik Merckx’ ultieme biografie kon schrijven en hij was bereid om nog voor een keer grondig terug te blikken. Het werd twee dagen van intens interviewen met in totaal veertien uur opnames...

Met de handdoek tussen de benen

Voor de eerste interviewdag werd ik ’s ochtends in Meise verwacht bij Eddy thuis. De files naar Brussel vielen zo mee dat ik een uurtje te vroeg aankwam. ‘Geen probleem’, zei Eddy, ‘maar ik moet wel nog gemasseerd worden.’ Merckx rijdt nog twee tot drie keer per week met zijn oud-ploegmaats en vrienden tachtig kilometer tegen dertig per uur. Eddy is een groepsmens die zijn vrienden voor het leven koestert. Hij stelde me voor meteen het interview te beginnen terwijl hij gemasseerd werd door de verzorger. Ik voelde me even geen Wetstraatjournalist meer, maar een wielerjournalist uit de jaren zestig, zeventig, toen die nog op de kamer kwamen bij de renners. Met de handdoek tussen de benen vertelde hij kreunend over zijn jeugd.

Van Eduard naar Eddy

Over hoe hij eigenlijk als Eduard in de bevolkingsregisters werd ingeschreven, omdat Eddy te Engels klonk. En dat hij na zijn carrière zijn voornaam officieel heeft laten veranderen in Eddy en dat hem dat 25.000 frank had gekost. Ik hoorde ook het verhaal van een hyperactief kind dat de hellende straatjes van aan het Woluwepark naar beneden dook en dat hij de bijnaam ‘Tour de France’ kreeg. Ik hoorde over een strenge vader die zijn zoon soms ‘een goeie paar motten gaf’. Ik hoorde ook over ouders die hun kinderen bescheidenheid bijbrachten. Wanneer kruidenierszoon Eddy van zijn rijke vriendjes in Sint-Pieters-Woluwe hoorde dat ze naar de Azurenkust gingen, begon hij daarover tegen zijn vader Jules, die samen met moeder Jenny enorm hard moesten werken om de leveranciers tegen het einde van de maand te kunnen betalen. Jules antwoordde: ‘Ge moet niet altijd boven u kijken, want onder u zijn er mensen die nog minder hebben als gij.’ Eddy zegt nu nog altijd: ‘Ik ben niet jaloers. Hoe meer een ander heeft, hoe liever ik het heb. Waarom zou ik met een Ferrari rijden? Om op te vallen? Ik heb liever een goed glas wijn. Ik ben niet jaloers op de coureurs voor wat ze vandaag verdienen.’ Ik hoorde dus hoe de allergrootste renner bescheidenheid bijgebracht werd.

Ja, Fred

Eigenlijk is die bescheidenheid, de reden waarom ik zo geboeid ben door de figuur Merckx. Ik herinner mij nog, wanneer hij in de late jaren zestig geïnterviewd werd door tv-reporter Fred De Bruyne, dat hij daar stond met een bescheiden glimlachje. Hij begon stilletjes met ‘Ja Fred…’ en hij beschreef zo neutraal mogelijk wat er gebeurd was. Zonder hoog van de toren te blazen en dan had hij dikwijls zijn tegenstanders op minuten gereden. Heel dikwijls kon hij de spurt voor de tweede plaats rustig becommentariëren voor tv. Negatief of vernederend commentaar over zijn tegenstanders gaf hij nooit. Er is een dualiteit bij Merckx. RTBF-tv-reporter Théo Mathy beschreef het zo: ‘In de koers is hij zijn vader, daarbuiten zijn moeder.’ Als renner bikkelhard zoals zijn strenge vader Jules om de tegenstanders alle hoeken van de kamer te laten zien. De Italiaanse kampioen Felice Gimondi noemt hem in het boek ‘een monster’. Maar buiten de koers is hij de zachtheid zelf, kan hij moeilijk nee zeggen en is hij bezorgd zoals zijn moeder Jenny. De vier jaar jongere tweelingbroer en -zus Michel en Micheline beschrijven het prachtig. Hoe bekommerd hij kon zijn om hen. Hoe hij een aardrijkskundeboek samenstelde voor zijn broer. Hoe hij hem Latijnse woordjes opvroeg. Hoe hij zijn broer aanraadde om apotheker te worden, zodat hij later goed geld zou verdienen. Hoe hij tot zijn huwelijk met Claudine Acou zijn pree grotendeels afgaf om zijn ouders financieel te ondersteunen. Familie is alles voor Merckx...

Met oogkleppen aan de start

Zijn echtgenote Claudine is een sleutelfiguur die voor haar huwelijk lesgaf als regentes handelswetenschappen. Zij vertelt hoe ze haar man afschermde en hoe ze zelfs mensen moest wegjagen die in de tuin kwamen omdat ze door het raam wilden binnenkijken bij ‘vedette’ Merckx. Zij las de kranten voor haar man. Zij begeleidde de journalisten. Zij zorgde dat thuis alles geregeld was. De van nature wat twijfelende Merckx zegt zelf dat haar kordaatheid hem enorm geholpen heeft, zodat hij zich helemaal op de fiets kon toeleggen. Zij zegt: ‘Wij vullen elkaar aan.’ Oud-wielerjournalist Robert Janssens, een van de weinige overlevers die Merckx’ volledige carrière hebben meegemaakt zegt het zo: ‘Eddy heeft altijd strenge figuren rond zich gehad die zijn toegeeflijk karakter moesten compenseren. Eerst vader Jules, daarna echtgenote Claudine en manager Van Buggenhout.’ Alle geïnterviewden wijzen erop dat Eddy voor zijn vrienden een vrolijke Frans is die graag plaagt, ‘Brussels liekes’ zingt en zich te goed doet aan wat een Bourgondisch leven allemaal te bieden heeft. Ook dit is een tegenstelling met de Merckx die de wielersupporters te zien kregen. Dikwijls een stuurse kampioen die niet echt genoot van zijn overwinningen, maar vooral zat te piekeren over de tegenstand die hij in de volgende wedstrijd zou moeten counteren. Koersen was een passie die hem helemaal in de greep had. Vooral net voor de wedstrijd was hij overbezorgd en dikwijls niet aanspreekbaar. Zijn sportbestuurder Robert Lelangue zegt dat hij dan ‘oogkleppen’ droeg en niemand zag staan. Hij klaagde bij de start overal over pijntjes, waardoor hij vreesde dat hij niet goed zou rijden. Raymond Poulidor herinnert het zich nog: ‘Hij stond tegen mij te klagen aan de start en de eerste die demarreerde was Eddy.’ In het wielermilieu was het bekend; hoe meer Eddy ‘zaagde’ voor de wedstrijd, hoe beter hij reed.

Modelbelg

Bij het urenlange interview met Merckx was het opvallend. Over grote overwinningen vertelde hij niet zoveel. Als je er op wees hoe veel minuten voorsprong hij wel had, antwoordde hij stilletjes: ‘Ik zal zo sterk geweest zijn zeker?’ Hij gaf wel toe hoe belangrijk grote overwinningen waren om zijn altijd knagende onzekerheid weg te werken. Eddy is ook een piekeraar en een maaglijder zoals zijn vader was. Zijn zege in het amateurwereldkampioenschap in ’64 in Sallanches gaf hem geen zekerheid, omdat de vorige liefhebberswereldkampioenen geen grote profcarrière gemaakt hadden. Pas toen hij als twintigjarige zijn eerste Milaan-San Remo in ’66 gewonnen had, geloofde hij zijn brood zou kunnen verdienen met koersen. Wereldkampioen worden in ’67 op zijn tweeëntwintigste noemde hij wel ‘een droom’.

Zijn eerste Tourzege in ’69 is dan weer de vervulling van een kinderwens. Met zijn wielergekke vader had hij tijdens de zomer urenlang naar de radio geluisterd om de Tourprestaties van zijn idool Stan Ockers te volgen die tweede werd in de Ronde. Merckx zegt over die eerste Tourzege dat hij kiekenvlees kreeg wanneer hij duizenden Belgische supporters ‘Eddy, Eddy, Eddy’ hoorde roepen op de tribunes van de wielerbaan van Vincennes. Dat hij daarna met echtgenote Claudine en zijn ploegmaats op 21 juli bij de koning in Laken ontvangen werd, deed hem ook heel veel: ‘Bij de koning mogen gaan is toch een erkenning dat ge iets betekend hebt voor het land.’ Voor het koningshuis was hij dan ook een model-Belg. Van Vlaamse oorsprong, maar tegelijk ook Franstalig als product van het residentiële Sint-Pieters-Woluwe en van het Brussels Franstalig onderwijs.

Communautaire valstrikken loerden altijd om de hoek. Bij zijn huwelijk in december ’67 antwoordden Eddy en Claudine telkens ‘oui’ tijdens de plechtigheid in het stadhuis van Anderlecht en in de kerk van Sint-Pieters-Woluwe. Hij heeft het geweten, want dat veroorzaakte meteen een taalrel in de Vlaamse pers: ‘Ik had er niet aan gedacht om zowel ‘ja’ als ‘oui’ te zeggen. De pastoor van Sint-Pieters-Woluwe sprak Frans en de burgemeester van Anderlecht, Simonet, sprak ook Frans. Daarmee…Het is nogal een spel geweest in de kranten. Vooral in Het Volk was er veel om te doen. Het waren mijn Vlaamssprekende nonkels die daarachter zaten. De broers van mijn vader waren kwaad. Mijn nonkel Jos Merckx was bijna twintig jaar burgemeester van Sint-Joris-Winge. Hij kwam op voor de CVP. Maar als ge trouwt, denkt ge niet aan Vlaams of Frans, ge denkt aan trouwen.’ Na het huwelijk hingen rouwkransen aan de deur van het huis van het jonge stel en er was tandpasta uitgesmeerd. Eddy en Claudine hadden hun lesje geleerd. De kinderen kregen namen die niet Frans of Vlaams klinken. Sabrina klinkt Italiaans en Axel Scandinavisch...

Diep gekwetst

Over één zaak zijn al de geïnterviewden het eens: Eddy kan niet tegen onrechtvaardigheid. Bij hem is de titel van het Will Tura-liedje ‘Wat je diep treft, doet eeuwig pijn’ meer dan realiteit. In de urenlange interviews komt dat zo duidelijk naar boven. Enkele voorbeelden. In tegenstelling tot Roger Swerts raakt Eddy niet geselecteerd voor het amateur-WK in Ronse. Merckx zegt daarover schamper: ‘Ik had gene nonkel die Jan noemde’. (nvdr: in het boek laten we Eddy het Vlaams spreken zoals hij het spreekt…). Voor het liefhebberswereldkampioenschap in Sallanches raakt hij bijna niet geselecteerd. Volgens de BWB-dokter had hij iets aan zijn hart en moest hij zes maanden rusten. Eddy komt woedend thuis met de vraag ‘Wat voor een dokter is dat?’ Moeder Merckx haalt er de huisarts bij en die dreigde de BWB-dokter voor de Orde van Geneesheren te brengen, Merckx wordt gezond verklaard in het UZ van Gent en wint het WK.

De renner die Eddy het meest gekwetst heeft, is de schampere superkampioen Rik Van Looy. In ’65 gaat Merckx voor zijn Solo-Superia-ploeg rijden. Wijlen Bernard Van De Kerckhove zegt daarover in het boek: ‘Van Looy boycotte Eddy zelfs in het kleinste kermiskoerske.’ Van Looy had het moeilijk met de opkomst van Merckx. Eddy was de beste in Parijs-Luxemburg ‘65, maar ’s avonds werd hij bespot door Van Looy en zijn ploegmaats: ‘Ze maakten me belachelijk ’s avonds aan tafel. Ze noemden me Jack Pallance (een lange, donkerharige man die vooral boevenrollen speelde in Hollywoodfilms). En ik had de gewoonte ’s avonds na het eetmaal rijst met kandijsiroop als dessert te eten. Ze lachten daarom met mij.’ Wanneer Merckx de ploeg Van Looy verlaat, maakt die er een sport van op het wiel van Eddy te rijden. Als er voor een premie moet gesprint worden, kijkt Rik dan om en lacht Merckx uit in zijn gezicht. Van Looy vertelt ook altijd dat Merckx nooit wereldkampioen geworden is een WK waaraan hij deelnam.

Vrienden worden Rik en Eddy nooit meer. Wanneer Merckx in Parijs-Nice van ’66 de tijdrit moet rijden met een Van Looy die net voor hem gestart is, herinnert hij zich nog perfect wat hij toen dacht: ‘En ik heb Van Looy ingehaald in die tijdrit! Hij lachte. Hij lachte groen. Ik heb hem ook eens recht in de ogen gekeken. En ik dacht: Hier sè. Nu krijgde ’t! Ik was natuurlijk gemotiveerd hè. Hij vertrok voor mij. Ik moest hem hebben en ik heb hem gehad.’ Revanche is een belangrijke motor in de carrière van Merckx. Zus Micheline zegt daarover: ‘Hij kan drie keer meer als hij revanche neemt. Dan is hij bikkelhard hè. Dan is hij geslepen tot en met en dan is hij onverbiddelijk! Ze moeten eraan. Dat is wel een trek van Eddy.’ Over onrecht in de koers spreekt Merckx nu nog altijd alsof hij zijn rugnummer aan heeft.

Doping en Tourzege

De zwaarste mentale klap krijgt Merckx wanneer hij uit de Giro van ’69 wordt gezet wegens een positieve dopingcontrole. De beelden van de huilende Eddy gaan de wereld rond. In het boek is de tekst opgenomen van het radio-interview van Jan Wauters met de snikkende Merckx. Hij draagt op dat moment de roze trui en is zo goed als zeker dat hij zal winnen. Hij is al acht keer negatief bij de dopingcontrole. De negende keer is hij positief na een vlakke sprintersrit waarin hij zesendertigste eindigt. Merckx zegt dat het totaal onlogisch is dat hij doping zou genomen hebben voor zo’n onbelangrijke rit: ‘Ik was de enige die zeker wist dat hij naar de dopingcontrole moest gaan, want ik droeg de leiderstrui. De enigste hè, want het waren naast de leider, de eerste twee van de rit en twee per lottrekking die naar de controle moesten.’ De tegenexpertise is ’s nachts gebeurd zonder dat hij gewaarschuwd is. Beroep is niet meer mogelijk en er is geen spoor meer van de urine. Hij zegt wel dat hij twee dagen voordien opgezocht is door Rudi Altig, de luitenant van de latere Giro-winnaar van Gimondi en dat Altig hem een koffer met geld aanbood om de Giro te verkopen. Hij vermoedt dat dat geld voor iets anders is gebruikt: ‘Rudi is bij mij gekomen. Hij zei: “Luister, wilde de Giro niet verkopen? Ik antwoordde: “Nee, jong!” Hij zei: “Ja maar, pas op, het is veel geld!” Mijn antwoord was: “Zeg mij niet hoeveel het is. Ik heb liever dat ik het niet weet. Dan heb ik er geen koppijn van!”

Weet je wat er dan verder is gebeurd met dat geld? Ik zal u zeggen, de commissaris die toen de controle gedaan heeft, is nooit meer commissaris geweest. Hij zou iets in mijn flesje gedaan hebben. Dat is een gerucht dat ik heb opgevangen.’ Merckx wil daarna niet meer koersen. Het hoeft niet meer voor hem. Hij krijgt wel tienduizend steunbrieven. Het land schaart zich helemaal achter hem. De politiek bemoeit er zich mee. De Wielerunie trekt de schorsing in, zodat hij aan de Tour kan deelnemen. Hij traint keihard en is enorm uit op revanche. In iedere bergrit en in iedere tijdrit neem hij voorsprong. In de koninginnenrit over Tourmalet en Aubisque acht minuten… Totale eindwinst net geen achttien minuten...

Nooit meer klimmen zonder pijn

De zwaarste fysieke klap krijgt Eddy in september ’69 tijdens een dernymeeting op de wielerbaan in Blois. Een dernyrijder voor hem valt en Eddy vliegt erover: ‘Mijn gangmaker Wambst wou spektakel maken. Wij komen van vanachter en de derny voor ons, waar de pedaal van was afgekraakt, vliegt naar boven en raakt de betonnen muur van de balustrade. Die motorfiets valt en schuift te midden van de piste en geeft de indruk te blijven hangen, want de wielerbaan was daar niet zo steil. Wambst wil onder die motor gaan en op het moment dat hij naar onder gaat, valt die derny naar beneden. Wambst vliegt tegen de benedenkant van de motor en ik tegen de bovenkant en ik kom bijna vijftien meter verder op het middenplein terecht. Mijn voorhoofd hing vol met bloed, want er zat een snee net onder mijn haarlijn. Na de val was ik bewusteloos. Ik ben door het oog van een naald gekropen. Mijn gangmaker was op slag dood.’

Merckx’ bekken stond scheef na die val en zijn rug was zwaar geraakt. De ravage viel eerst niet zo op, maar Merckx had een slecht gevoel in zijn linkerbeen en enorm veel pijn in zijn rug bij het klimmen. Revalidatie stelde toen nog niets voor: ‘Toen ik terug begon te koersen voelde ik dat het niet meer hetzelfde was. Er was een zeurende pijn. Ik had de indruk dat mijn spieren niet los kwamen. Daarom veranderde ik voortdurend van positie. Ik ging een beetje hoger of lager zitten. Daarom sleutelde ik zoveel aan mijn zadel. Een millimeter hoger of lager gaf telkens een beetje een ander gevoel. Kon je dan minder hard duwen? Ja, ik had minder kracht. Mijn rug was ook naar de vaantjes. Dat was erger bij het klimmen dan op het vlakke? Ja absoluut. Op het vlakke had ik minder last, maar als ik echt moest duwen, bergop, dan had ik rugpijn. Blois was het keerpunt in je carrière? De echte Merckx was er niet meer. Het was gedaan met Merckx. De Merckx van ’70 was niet meer de Merckx van ’69. Maar na Blois heb je nog ontzettend veel gewonnen. Jaarlijks zo’n vijftig wedstrijden. Zou je dan nog meer gewonnen hebben? Ik zou misschien niet meer koersen gewonnen hebben, maar ik zou ze met meer voorsprong op mijn naam geschreven hebben. In ’69 had ik de Tour gewonnen met meer dan 17 minuten voorsprong. Ik was toen nog maar vierentwintig jaar en normaal verbetert ge dan nog enkele jaren.'

Het uurrecord

Merckx won na Blois geen bergritten meer met acht minuten voorsprong. Het was daarna maar met twee of drie minuten. Op het vlakke leek er weinig veranderd. In ’70 won Merckx Parijs-Roubaix met meer dan vijf minuten voorsprong. Na Blois heeft Merckx nog vier keer de Tour gewonnen, vier keer de Giro, de Ronde van Spanje, de Ronde van Zwitserland, vier keer Milaan-San Remo en Luik-Bastenaken-Luik, twee keer het wereldkampioenschap, Parijs-Roubaix en Gent-Wevelgem en tal van andere klassiekers. En niet te vergeten: hij heeft ook nog het uurrecord verbeterd. In Mexico reed hij 49,431 meter op de olympische wielerbaan, bijna 800 meter beter dan zijn voorganger Ritter. Merckx zegt dat hij met klikpedalen 50 per uur had gereden.

 

Een uitzonderlijk lichaam

Slotvraag: Hoe zijn die topprestaties allemaal mogelijk geweest? Merckx’ onwaarschijnlijke drang om te winnen is één verklaring, maar er is vooral ook zijn uitzonderlijk sportlichaam, blijkt uit medisch onderzoek. Merckx heeft een natuurlijk hematocriet van tegen de vijftig. Indertijd de grens voor de gezondheidscontroles in het epotijdperk. Epo bestond toen nog niet, maar Merckx had vanzelf zoveel rode bloedlichaampjes waardoor hij zo sterk was. Bij onderzoek in de Sportschule van Keulen bleek ook dat in zijn spieren de verzuring vanzelf snel verdween, waardoor hij een ongelofelijk recuperatievermogen had. ‘Ze konden dat niet verklaren’, zegt hij. En tenslotte: Eddy heeft ook letterlijk een groot hart: ‘De dokters hebben gezien dat het acht liter per minuut pompte in plaats van vier à vijf bij een normale mens.’ Slotsom: Zo iemand maken ze niet meer!

‘Eddy Merckx-De biografie’ van Johny Vansevenant is gepubliceerd bij uitgeverij Kannibaal en kost 35,95 euro. Het boek verschijnt ook in het Frans bij Racine.