Paris, je t’aime – Steven Decraene

Parijs. Iedereen houdt van deze stad vol cultuur, finesse en mooie mensen. Het is een plaats die romantiek ademt, artistiek talent koestert en klasse uitstraalt. Niet voor niks, de meest bezochte plaats op de planeet, populairder dan New York, Londen of Rome. Maar na 13 november zal er altijd een kras op dit mooie Parijs zitten. De Franse hoofdstad is in haar ziel geraakt. Er is iets gebroken die bewuste novemberavond.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Steven Victor Decraene is journalist en bracht voor VRT Nieuws een week lang verslag uit over de aanslagen in Parijs.

“Meer dan honderd, meer dan honderd…” We rijden Cambrai voorbij en mijn cameraman Philippe kan het niet geloven. Onze vrijdagavond met een wedstrijdje Rode Duivels is bruusk verstoord door het nieuws van de bloedigste aanslag in Frankrijk sinds de Tweede Wereldoorlog. Halsoverkop vertrokken uit Brussel op weg naar de lichtstad die één van de meest duistere nachten in haar bestaan meemaakt. Kamikaze-aanvallen uitgevoerd door zelfmoordterroristen, kalasjnikov-schutters, een bende weerzinwekkende “sujets” die een godsdienst misbruiken om hun frustraties bot te vieren. Tijdens onze nachtelijke rit dringt de impact van de terreurdaad stilaan door bij ons in de satellietwagen.

Bataclan

“Zo kalm, en nergens militairen…” “Zie jij militairen?” We slingeren de straten van Parijs binnen en verbazen ons over het gebrek aan politiecontroles. Net op het moment dat we de Boulevard Richard-Lenoir willen inrijden, komen enkele combi’s van de gendarmerie eraan. Ze laten ons door en we parkeren recht tegenover de concertzaal “Le Bataclan”. Het eerste wat ik zie, is een takelwagen die een auto met een Belgische nummerplaat wegsleept. Ook een toeval, denk ik, een Belg die net verkeerd parkeerde voor de rampplek. Later besef ik dat de link met ons land niet toevallig is.

Terwijl meer details van de aanslag bekend raken en mijn live-interventies elkaar in snel tempo opvolgen, merk ik dat Parijs niet wil wakker worden. De oproep van het stadsbestuur om binnen te blijven, volgen de Parijzenaars goed op. Vanachter de ramen die uitkijken op de Bataclan en onze live-posities, zie ik af en toe iemand een gordijn wegtrekken om naar ons te gluren, maar zodra ik terugkijk, schuift het gordijn snel weer dicht. Niemand wil het weekend beginnen en niemand heeft een idee hoe het weekend zal eindigen.

Place de la République

“Allons enfants de la Patrie.. le jour de gloire est arrivé.” Uit volle borst zingen honderden jongeren de Marseillaise op de Place de la République. Het is zondagnamiddag, de zon schijnt en de jeugd wil de terreur het land uitzingen. Eerder op de dag ontmoette ik aan de voet van het grote standbeeld Vlaams Minister Hilde Crevits, Paul Marchal, Frieda Van Wijck en nog veel andere Vlamingen. Allemaal wilden ze voor hun afreis toch nog hun respect betuigen aan de slachtoffers van de terreuraanslag. “We moesten hier gewoon zijn, op deze plaats, onder het standbeeld Marianne.”

Het plein loopt die zondagmiddag voller en voller en tegen zes uur ‘s avonds zijn de straalwagens en live-posities van de tientallen televisiezenders omsingeld door toeristen, jongeren en inwoners van de buurt. Allemaal willen ze op hun eigen manier de slachtoffers eren: met kaarsen, bloemen, knuffelberen of gewoon een lied. Maar dan om twintig voor zeven… Het is donker en de massa volk op de Place de la République blijft aangroeien, tot er plotseling iets breekt… Daar en op dat moment krijgt de strijdlust van Parijs een harde klap. Was het een flauwe plezante of was het bewust een poging om de mensen schrik aan te jagen? In elk geval, de voetzoekers die iemand daar gooide, veroorzaken een ongeziene paniek onder iedereen op het plein en de straten ver daarbuiten. Het blijkt vals alarm te zijn, maar de impact is groot. Het plein loopt die avond niet meer vol en je voelt dat de angst het voorlopig haalt van de moed om terug te vechten.

Paris s’éveille…

De maandagmorgen is somber en regenachtig. Aan de schoolpoorten staan stewards en leerkrachten, klaar om de leerlingen op te vangen. Binnen zullen ze praten. Praten over iets wat je niet kan uitleggen. Niet aan een kind, maar ook niet aan een volwassene. Ouders schermen hun kinderen af van de media en willen zelf zo vlug mogelijk aan de slag. Maar met welk gevoel, met welke motivatie… Op de metro zie ik nog meer angstige blikken. In de ondergrondse gangen die naar halte “République” leiden, is het kalm. Te kalm voor een maandagmorgen. En nergens een geluid, behalve het gepiep en gesis van metrostellen. Niemand op de metro praat, niemand kucht… Elk geluid lijkt verdacht. Wanneer ik een vrouw toch probeer te interviewen, voel ik de priemende, haast verwijtende, blikken van al die mede-passagiers. De vrouw met wie ik praat, verwoordt het subliem: “Ici, dans le métro, on ne parle pas.”

Terug op het plein ontmoet ik Lisa, een jonge Vlaamse studente die ook als model werkt in Parijs. Lisa kent de buurt waar de aanslagen plaats vonden goed en ze is geschokt. “Juist op de plaats waar jongeren samenkomen, midden in een multiculturele buurt, waar artiesten met een open blik naar de toekomst kijken, gebeurt zoiets.” Het is een aanslag op de jeugd, op de open cultuur van Parijs. Even later spreek ik Sandrine aan de telefoon, ook een jonge artistieke duizendpoot. “Ik wil hier weg. Ik denk dat ik naar New York verhuis of tenminste naar een plek waar ik me veilig voel.” Sandrine voelt zich “superangstig” maar beseft ook dat zoiets wel zal overgaan. “ Ik ben bang dat de kloof tussen blanken en allochtonen zal toenemen. Onvermijdelijk ga ik ook al twee keer nadenken of ik voorbij een groepje Arabieren wandel. En dat maakt mij zo “pissed”: die terroristen hebben mij bijna in een raciste veranderd.”

Saint-Denis

Net wanneer je denkt dat Parijs opnieuw de draad kan oppikken, bulderen alle TV-zenders over een anti-terreuractie in Saint Denis. Het is halfvijf ’s ochtends en Parijs wordt opnieuw wakker met een schok. Saint-Denis, een voorstad in het noorden, kent onder zijn tienduizenden inwoners veel verschillende nationaliteiten op een kleine oppervlakte. Dit is niet de wereld van Lisa en Sandrine. Hier lopen Mohammed, Mouna en Dieudonné rond. Andere jongeren met vaak dezelfde dromen maar met minder kansen. Ze volgen allemaal de actie van nabij. Met hun smartphone hebben ze al beelden gemaakt en stoer zoals ze zijn, durven ze zelfs nog wat roepen naar politieagenten die honderd meter verderop met getrokken wapens de buurt uitkammen.

“T’es belge, toi?” Het komt hard binnen en klinkt eerst zelfs bedreigend. “Oui, je suis de Molenbeek et toi?’ antwoord ik wat stout in de hoop de bluf van de straat te overtreffen. “Les belges sont des cons, tu sais, et des terroristes.” De jongen die mij aanspreekt, kijkt me strak aan. Rond hem staan drie andere vrienden van hem, ze lachen mee. “On a comme même une belle équipe de foot,” glimlach ik nu. “Oh, oui, Eden Hazard, tu le connais ?” Op slag verandert de houding en de toon van de jongeren. Nu willen ze wel normaal praten. Natuurlijk zijn ze tegen terroristen, maar ze zijn het ook beu dat hun buurt altijd zo negatief belicht wordt. “Kom hier shoppen, man,” fluistert hij me toe, “ je vindt hier al dezelfde producten zoals in Parijs maar gewoon tien keer goedkoper. Hier werken echte mensen, geen chichi’s.”

Het is een grauwe buurt waar er problemen genoeg zijn en misverstanden zo gemakkelijk leiden tot een handgemeen. Sinds woensdagochtend is Saint-Denis ook gebrandmerkt als een terroristennest en een plaats van radicalisme. Een wat excentrieke vrouw wil me iets vertellen. “Jij bent journalist, hé, ik kan je iets vertellen dat je interesseert. Het mag niet van mijn vader maar ik doe het toch.” De vrouw is halfweg de veertig, wat sjofel gekleed en spreekt nogal gebrekkig. “Mag ik een visitekaartje van jou?”, fezelt ze terwijl ze op zoek gaat naar haar portemonnee in een veel te grote draagtas. Wanneer ik haar mijn visitekaartje geef, wil ze haar geheim met me delen. Ze toont me haar Belgische identiteitskaart en glimlacht. “Je suis une terroriste.” Ik lees nog net Monique, née à Molenbeek voor ze haar identiteitskaart wegstopt. Ze zal me een email schrijven met haar verhaal, dat straf is, zo zegt ze. Het is duidelijk dat de vrouw wat zwakzinnig is en de gebeurtenissen van de laatste uren niet zo goed kan plaatsen. Ik zie haar naar de wagens van andere televisiezenders stappen waar ze snel afgewimpeld wordt.

Et maintenant… que vais-je faire…

Wat de vrouw me in Saint-Denis liet beseffen, drong pas later tot me door op de Place de la République. Excentriekelingen zijn verdacht geworden. Het is ook zo stil in Parijs die eerste week: nergens wordt nog gelachen, geroepen, gezongen. Wie ’s avonds zijn stem verheft of een ode op de liefde wil brengen, wordt verdacht. Wie in de metro honderduit praat, krijgt afwijzende blikken. Dit is Parijs niet. Pas één week na de aanslagen, zag je weer wat “joie de vivre” toen enkele koppels dansten rond standbeeld Marianne op la Place de la République.

Terreur mag niet winnen en terreur kan nooit winnen, maar dat ligt aan ons.

Wij winnen als Lisa weer cocktails gaat drinken in haar hippe buurt…

Wij winnen wanneer Sandrine Parijs opnieuw inniger omhelst dan New York…

Wij winnen als Mohammed straks voluit voor Frankrijk supportert…

Wij winnen als Monique uit Saint Denis zonder gevaar kan zeggen dat ze in Molenbeek geboren is…

Wij winnen als we samen meer praten en durven onszelf te zijn. Niet naïef, maar vastberaden, want de waarden van de Republiek zijn gewoon de waarden van alle mensen…

Liberté, Egalité, Fraternité.