Regering voert akkoord Groep van Tien over aanvullend pensioen uit

De ministerraad heeft het licht op groen gezet voor het wetsontwerp, dat het akkoord over de aanvullende pensioenen van de sociale partners uitvoert. Aan dat akkoord gingen lange onderhandelingen binnen de Groep van Tien vooraf. De tekst moet nu nog langs het parlement.

Een belangrijk discussiepunt draaide rond de gegarandeerde rentes voor het aanvullend pensioen. Dat minimumrendement was volgens de verzekeraars onhoudbaar geworden in het huidige klimaat van lage rentes.

Rendement

Het wetsontwerp voorziet dat de rendementsgarantie ten laste van de werkgevers of de beroepssectoren vanaf 1 januari 2016 variabel zal zijn. Het zal overeenkomen met een percentage van het gemiddelde - berekend over de laatste 24 maanden - van de rendementen van de lineaire Belgische staatsobligaties op 10 jaar, zonder dat de opbrengst lager mag zijn dan 1,75 procent of hoger dan 3,75 procent. Daardoor zal de toepasbare rentevoet voor 2016 1,75 procent bedragen. Deze rentevoet zal voortaan dezelfde zijn voor zowel de patronale bijdragen als de persoonlijke bijdragen.

De werknemers zal ook een "overlijdensdekking" kunnen vragen wanneer hij de werkgever verlaat zonder de aanvullende pensioenreserves te hebben overgedragen. Deze dekking, die hij binnen de termijn van een jaar zal kunnen vragen, voorziet de storting aan de rechthebbenden van de verworven reserves bij overlijden.

Wettelijk pensioen

De aanvullende pensioenprestaties zullen enkel kunnen worden uitbetaald bij het effectieve ingaan van het wettelijk pensioen. Niettemin zal de werknemer de uitbetaling kunnen verkrijgen zodra hij voldoet aan de voorwaarden om met pensioen te gaan, zelfs als hij zijn beroepsactiviteit verderzet. Bovendien zijn meerdere overgangsmaatregelen voorzien ten gunste van in het bijzonder de personen die in 2016 ten minste de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.

Voorts zullen de bepalingen in aanvullende pensioenreglementen en -overeenkomsten, die vervroegde vertrekken aanmoedigen, worden verboden voor de werknemers die in 2016 de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt. De pensioenleeftijd die door de nieuwe pensioenreglementen of -overeenkomsten wordt voorzien, zal niet lager mogen zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar).

Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) wijst erop dat de regeling een voorwaarde was om de verschillende actoren op het vlak van de aanvullende pensioenen, gerust te stellen. "Bij ontstentenis ervan zou de ontwikkeling van de tweede pensioenpijler gecompromitteerd zijn", aldus Bacquelaine.

"Het was ook van belang het aanvullend karakter van de tweede pijler ten aanzien van de eerste pijler aan te moedigen en te versterken door de uitbetaling van het aanvullend pensioenkapitaal nauwer te linken met het ingaan van het wettelijk pensioen".