De oliemarkt hangt in de touwen

De prijs van een vat ruwe olie is in New York en Londen gedaald tot het laagste niveau sinds begin 2009, het beruchte recessiejaar. Met stijgende productie en dalende vraag ziet het er niet naar uit dat dat snel gaat veranderen. Die situatie heeft ook politieke en strategische gevolgen wereldwijd.

Vrijdag was de prijs van een vat West Texas Intermediate (WTI), voor levering in januari, al onder de 40 dollar (een kleine 37 euro) gesloten. Vandaag dook de olieprijs op de New York Mercantile Exchange (Nymex) in de vroege namiddag nog eens 6 procent lager, tot een dieptepunt van op 37,57 dollar (34,66 euro).

Op de oliemarkt in Londen zakte de prijs van een vat Brent-olie uit de Noordzee maandag tot 40,68 dollar (37,53 euro) per vat, ook het laagste peil sinds 2009.

Dat is een ijkpunt, want 2009 was het jaar waarin de financiële crisis ook de industrie en de handel met zich in het ravijn van een wereldwijde recessie stortte. De vraag naar energie viel toen enorm terug.

Aanleiding voor de nieuwe prijsduik is de mislukte bijeenkomst van het oliekartel OPEC vorige vrijdag. Dat kartel kon het toen niet eens worden over een productiebeperking en dus zakt de prijs verder.

Chinese schaduw over de oliemarkt

De mondiale recessie van 2009 is niet terug, maar de olieprijzen kelderen sinds vorig jaar van meer dan 120 dollar per vat tot een schamele 40 dollar nu. Dat komt door het samenvallen van een aantal oorzaken.

Zo zijn de Verenigde Staten door de productie van schaliegas en andere technologieën één van de grootste olieproducenten geworden en dat heeft natuurlijk een impact op de wereldhandel. Tevens hebben de VS en Europa nu historisch hoge reserves aan olie opgebouwd en ook dat drukt op de prijzen.

Nog meer: het eens zo machtige oliekartel OPEC is sinds 1999 de greep op de oliemarkt kwijt door de opkomst van nieuwe producenten die geen lid zijn. Het gaat dan onder meer om de VS, maar ook om bijvoorbeeld Rusland.

Binnen de OPEC is het ook ieder voor zich. Saudi-Arabië heeft de productie opgetrokken om marktaandeel te winnen en weigert om die voorlopig in te perken in een pokerspel met de andere producenten. Na het nucleaire akkoord met Iran -ook een OPEC-lid- worden de sancties tegen dat land opgeheven en Teheran heeft dringend geld nodig om de economie en infrastructuur uit te bouwen.

De belangrijkste reden voor de olievloed is evenwel de terugval van de eens zo beloftevolle groeilanden. Het gaat dan om Rusland en Brazilië die in een recessiemoeras gesukkeld zijn, maar vooral om de groeivertraging in China. Het was net China die de voorbije decennia steeds meer olie en grondstoffen nodig had en nu plots veel minder. De kans dat China opnieuw zal aanknopen met die torenhoge groei van weleer, is vrijwel nihil.

AP2011

Oliewapen snijdt aan twee kanten

De aanhoudend lage olieprijs heeft natuurlijk ook gevolgen. Voor de consumenten is dat leuk, ware het niet dat in ons land een groot deel van de prijs uit taksen en accijnzen bestaat, waardoor de daling van de prijs op de oliemarkt pas afgezwakt voelbaar is.

De lage olieprijs is ook één van de redenen waarom de inflatie in de eurozone zo laag staat en dat is minder prettig. Die lage inflatie zet dan wel de Europese Centrale Bank (ECB) aan om de rente laag te houden en massaal geld in de economie te pompen, maar de economische groei blijft vooralsnog haperen.

Tegelijk is olie een wapen, maar niet enkel in de handen van de producenten, maar in de huidige situatie ook in die van de kopers. Zo kraakt de Russische economie door die lage olieprijs, want dat land is voor bijna 70% van de uitvoer afhankelijk van olie en gas. Wellicht niet toevallig is het conflict in het oosten van Oekraïne uit het nieuws verdwenen.

Nog opmerkelijk: enkele dagen geleden is het radicaal-linkse regime in Venezuela in Latijns-Amerika haar controle over het parlement verloren. Dat regime bestond overigens 15 jaar lang vooral door de olie-uitvoer.

De situatie zal niet snel veranderen, zeker nu Saudi-Arabië en Iran de OPEC en de oliemarkt nu gebruiken als een arena om hun onderlinge ideologisch-strategische strijd over de Golf uit te vechten. Beide landen en systemen staan met getrokken messen tegenover elkaar in Jemen, Libanon, Syrië, Irak en Bahrein en dus nu ook aan de benzinepomp.