Taliban-aanval verdeelt Spaanse regering

Na de taliban-aanval in de buurt van de Spaanse ambassade in Kaboel, heerst er zenuwachtigheid binnen de Spaanse regering. De communicatie over de aanval verliep chaotisch en roept nare herinneringen op aan die na de aanslagen van 2004 in Madrid, waardoor de regerende partij werd afgestraft bij de verkiezingen. Op 20 december trekken de Spanjaarden opnieuw naar de stembus.

De taliban voerde vrijdagavond een aanval uit op de diplomatieke wijk in Kaboel. Het duurde een hele nacht voor de situatie onder controle was, minstens twee Spaanse veiligheidsagenten kwamen om.

Aanvankelijk verklaarde de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken dat de Spaanse ambassade het doelwit was, maar dat werd door zijn eigen premier Mariano Rajoy tegengesproken. Zaterdag werden de violen dan gelijkgestemd en luidde het "dat er geen hypotheses worden uitgesloten". "In elk geval gaat het om een terreuraanslag, waarbij twee Spaanse burgers gedood werden en onze belangen ernstige schade opliepen", luidde het. Zaterdagavond kwam de regering in crisisberaad bijeen.

De tegenspraak werd ook opgemerkt door Spaanse media en door de oppositie. Albert Rivera van de partij Ciudadanos riep op "geen informatie achter te houden".

Dezelfde manke communicatie na de aanslagen van 2004 in Madrid, toen er 191 doden vielen, verzwakte de toenmalige conservatieve regering. Die hield lange tijd vol dat de aanslagen het werk waren van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Enkele dagen later verloor ze de verkiezingen.