Realisme na de euforie - Wouter Peeters

Er zijn enkele goede redenen om het recente klimaatakkoord van Parijs als ‘historische mijlpaal’ te beschouwen. Maar het werd ook al als een ‘lege doos’ bestempeld. Wat het wordt, zal de toekomst moeten uitwijzen.
labels
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Wouter Peeters is gastprofessor Sociale en Politieke Filosofie aan de Universiteit Gent en hoofdauteur van het boek Climate change and individual responsibility: Agency, moral disengagement and the motivational gap (Palgrave MacMillan, 2015).

Een historische mijlpaal

Het recente klimaatakkoord van Parijs werd reeds als ‘historisch’ onthaald. In zijn scherpzinnige blog van 13/12 somt Johan Braeckman enkele belangrijke redenen op waarom het akkoord een mijlpaal is in de geschiedenis van de mensheid. Ik wil een extra reden toevoegen, namelijk het feit dat de wereld nog niet zo vaak tot een unaniem, wettelijk bindend en substantieel akkoord is gekomen met betrekking tot het klimaat of andere mondiale problemen. Klimaatverandering belangt de gehele wereld aan, maar die wereld wordt gekenmerkt door enorme verschillen in welzijn, gezondheid, educatie en rijkdom. Er moet rekening gehouden worden met geopolitieke verhoudingen, internationale spanningen, uiteenlopende agenda’s en belangen. Daarenboven zijn er gigantische verschillen in historische verantwoordelijkheid en kwetsbaarheid voor de klimaatverandering.

Daarom mag het historisch genoemd worden dat 195 landen er via doorgedreven onderhandelingen in geslaagd zijn om tot een akkoord te komen over de toekomst van de planeet.

Een lege doos?

Het akkoord is echter ook al een ‘lege doos’ genoemd. Klimaatexpert James Hansen heeft het in een interview zelfs al omschreven als fraude, nep, holle woorden.

Zover zou ik nog niet willen gaan. Of het akkoord uiteindelijk de geschiedenis in zal gaan als een historische mijlpaal of als een lege doos, blijft afhankelijk van de concrete acties en beleidsmaatregelen die de komende jaren ondernomen worden.

Dergelijke acties en beleidsmaatregelen moeten snel en doortastend genomen worden, maar tegelijk moet hun effectiviteit en rechtvaardigheid kritisch geëvalueerd worden. Daarnaast zijn er echter nog enkele belangrijke factoren waarvan het welslagen van de globale klimaatactie zal afhangen. Ik zou hier de aandacht willen vestigen op drie belangrijke aspecten.

Te verhogen: ambities

Het uiteindelijke doel is om de globale temperatuurstijging te beperken tot onder de 2°C in vergelijking met de pre-industriële temperatuur, en liefst tot slechts 1,5°C. Hoe minder opwarming, hoe beter, want zelfs de 0,9°C opwarming die we tot op heden kennen, heeft al een sterke negatieve invloed op het klimaat overal ter wereld en op de meest arme en kwetsbare mensen.

Om deze globale doelstelling te bereiken, stelde elk land (of toch de grote meerderheid) een eigen klimaatplan voor, een plan dat de voornemens van de overheid om emissies te reduceren, concretiseert. Ten eerste heeft James Hansen uiteraard gelijk wanneer hij stelt dat deze klimaatplannen slecht intenties en beloften bevatten. Zonder concrete actie blijven het holle woorden.

Ten tweede voorspellen klimaatmodellen dat de huidige klimaatplannen een opwarming van de aarde van 2,7°C in 2100 niet zullen kunnen vermijden, ver boven het vooropgestelde doel. De nationale klimaatplannen moeten dus een pak ambitieuzer: emissies moeten sneller en veel verder verlaagd worden dan men zich nu voorneemt.

In het akkoord zelf wordt reeds op talloze plaatsen verwezen naar het verhogen van de nationale ambities. De meest specifieke bepalingen voorzien dat een globale inventarisatie van de nationale klimaatacties in 2023 moet plaatsvinden en elke vijf jaar nadien (artikel 14).

Er zijn echter geen concrete maatregelen opgenomen om ambities te verhogen. Ondanks de wettelijke bindendheid specificeert het akkoord geen sancties om landen te bestraffen voor het niet behalen van hun doelstellingen of voor te zwakke ambities. Er zijn ook weinig of geen positieve stimulansen voor effectieve actie te bespeuren. Daarenboven mis ik concrete strategieën om anderen en onszelf te overtuigen meer ambitie aan de dag te leggen.

De routine van jaarlijkse marathonvergaderingen wordt behouden, maar bilateraal overleg, een ‘coalition of the willing’, en samenwerking met bedrijven of organisaties zouden ook tussendoor alle kansen moeten krijgen. Overigens ligt de sleutel niet enkel bij internationale onderhandelingen, maar moet er ook nagedacht worden over hoe grensoverschrijdende inspanningen van multinationals of samenwerkingsverbanden tussen steden of bedrijven op betekenisvolle wijze meegenomen kunnen worden in een globaal klimaatplan.

Lange termijn belangrijker dan tussentijdse doelstellingen

In haar klimaatplan heeft de EU bepaald dat ze haar emissies met 20% zal reduceren tegen 2020 in vergelijking met het emissieniveau van 1990, met 40% tegen 2030, en met 80% tegen 2050. De uitstoot van de EU is vandaag reeds 18-19% lager dan het niveau van 1990. De doelstelling van 20% reductie tegen 2020 halen we dus zonder verdere grote inspanningen. Met het huidige beleid zal de EU haar uitstoot met 23-35% kunnen verlagen tegen 2030, wat betekent dat we toch een versnelling hoger zullen moeten schakelen om onze zelfopgelegde doelstelling te bereiken.

Dit ‘tandje bijsteken’ verdwijnt echter in het niets in vergelijking met de inspanningen nodig na 2030: tegen 2050 wil de EU haar emissies met 80% verlagen. Als we rechtvaardig willen zijn, zou dit 95% moeten zijn. Willen we de opwarming van de aarde echt tot 1,5-2°C beperken, moeten de emissies in de EU na 2050 nul of zelfs negatief worden.

Dit illustreert mijn eerste punt dat zelfs de EU (als één van de meest ambitieuze partijen aan de onderhandelingen) haar ambities moet verhogen. Ik wil echter ook een tweede punt maken, namelijk dat de tussentijdse doelstellingen niet echt belangrijk zijn in het ruimere plaatje.

Het is immers zo dat hoe lager emissies dalen, hoe moeilijker verdere reducties worden. De eerste acties om emissies snel te verlagen, zijn relatief eenvoudig. Nadien wordt het echter lastiger: op termijn zijn zero-carbon energiebronnen noodzakelijk, moeten technologieën ontwikkeld worden om broeikasgassen op een duurzame manier uit de lucht te halen, en zal er een volledige mentaliteitswijziging moeten komen. De verhouding tussen de inspanningen voor en na 2030 die de EU in haar klimaatplan inschrijft, wordt daardoor nog problematischer.

Er bestaan ook enkele politieke risico’s. We moeten ervoor waken dat tussentijdse doelstellingen niet telkens uitmonden in oeverloze onderhandelingen of koehandeltjes met halve percentjes en enkele euro’s, om toch maar zo weinig mogelijk te hoeven doen om de gezamenlijke doelstelling te behalen. Natuurlijk moet er billijkheid zijn in de verdeling van lusten en lasten, maar dergelijke machinaties zijn futiel en onaanvaardbaar in het licht van de noodzaak om op een termijn van slechts enkele decennia een zero-carbon samenleving te bereiken.

Een tweede politiek risico houdt in dat overheden teveel vasthouden aan hun tussentijdse doelstellingen opgelegd door de EU, zelfs als deze niet ambitieus genoeg zijn. Maatregelen die ambitieuzer zijn dan de vooropgestelde doelstelling zullen misschien uitgesteld worden tot een volgende reductieperiode omdat ze overbodig zijn om de doelstelling van de huidige periode te behalen; investeringen en ontwikkelingen zullen verder vertraging oplopen.

Over het algemeen geldt dus dat hoe sneller en verder emissies kunnen gereduceerd worden, hoe beter voor onszelf, de rest van de wereld en de toekomstige generaties. Tussentijdse doelstellingen mogen niet contraproductief werken en de langetermijndoelstelling om tot een zero-carbon samenleving te komen, zou de belangrijkste leidraad moeten vormen.

Financiering van ontwikkelingslanden

Er wordt vooropgesteld om vanaf 2020 elk jaar een totaal van US$ 100 miljard bij te dragen aan het Green Climate Fund (GCF) om de ontwikkelingslanden te helpen bij mitigatie van en adaptatie aan het veranderende klimaat.

Tot November 2015 bedroegen de fondsen van het GCF welgeteld US$ 10,2 miljard. Er is dus ook op dit vlak veel meer ambitie nodig om tot het vooropgestelde budget te komen, wat een peulenschil is in vergelijking met de totale wereldeconomie die in 2014 US$ 77.870 miljard bedroeg.

Daarenboven lijkt het budget van US$ 100 miljard eerder aan de lage kant: het leeuwendeel van het GCF-potje – ook indien goed gevuld – zal opgesoupeerd worden om adaptatie te bewerkstelligen. Ontwikkelingslanden hebben daarnaast echter ook ondersteuning nodig om op duurzame wijze de levenskwaliteit van hun inwoners te verhogen.

Wederom stelt zich de vraag hoe we dit alles het beste kunnen aanpakken. Ik vrees dat louter vrijwillige bijdragen steeds tekort zullen schieten. In het verleden bleek een ‘inspanningsverplichting’ in hoofde van de OESO-landen ook niet te volstaan om aan substantiële ontwikkelingshulp te geraken, dus waarom nu wel?

We zouden een billijke verdeelsleutel moeten ontwikkelen die vastlegt wie hoeveel precies zal betalen. Er bestaan reeds uitgewerkte theorieën die verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering combineren met rijkdom per capita om te bepalen hoeveel een land/bedrijf/individu moet bijdragen. Overeenstemming vinden over een exacte formulering zal uiteraard helemaal niet evident worden, maar meer duidelijkheid over verwachtingen is wel noodzakelijk om de nodige fondsen bijeen te sprokkelen op een manier die zowel billijk is voor donorlanden als vertrouwen wekt voor ontwikkelingslanden.

Optimisme na Parijs?

De eerste lakmoesproef voor het akkoord is de ratificatie ervan. Op 22 April 2016 (Mother Earth Day) wordt het akkoord opengesteld voor ondertekening. Het treedt in werking als minstens 55 landen (die samen minstens 55% van globale emissies representeren) het bekrachtigd hebben. Dit zou zeer realistisch moeten zijn, maar het succes van de onderhandelingen in Parijs blijft afhankelijk van het aantal landen dat het akkoord uiteindelijk zal ratificeren. Hoeveel landen zullen doorgaan op de Parijse vibe en hoe zullen we terugkrabbelende landen kunnen overhalen om toch mee te doen?

Ik blijf optimistisch – zij het voorzichtig. De wereld is er immers in Parijs in geslaagd om tot een akkoord te komen over het raamwerk van toekomstige acties, ondanks de enorme sociale ongelijkheden en geopolitieke spanningen. Misschien slagen we er dan ook wel in om effectieve emissiereducties door te voeren, de huidige nationale ambities te verhogen, duidelijk te kiezen voor een route van snelle emissiereducties ten dienste van – uiteindelijk – een zero-carbon samenleving, en een robuuste financieële en technologische ondersteuning van de ontwikkelingslanden.

Hopelijk zal het klimaatakkoord van Parijs zo kunnen bewijzen geen lege doos te zijn, maar integendeel een historische mijlpaal in het mondiale klimaatbeleid.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.