Meest recent

    Wat betekent België nog in Afrika? - Peter Verlinden

    Bijna vijf volle dagen op pad in West-Afrika met twee Belgische bewindvoerders, en niet van de minste: het zou de Afrika-waarnemer doen denken dat België wél een rol wil spelen op het armste continent van deze planeet. Tenminste, arm wat de bevolking betreft, niet als het om de mogelijkheden gaat, de grondstoffen, boven- en ondergronds, de jonge krachtige bevolking, de tonnen goede wil. Zou België als vroegere kolonisator van het grote Congo, (wellicht) het rijkste land van Afrika, dan toch nog enige ambitie hebben om iets te betekenen voor de Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die als elke wereldburger recht hebben op hun deel van wat deze planeet te bieden heeft?
    analyse
    Analyse

    Peter Verlinden is VRT journalist en volgt al meer dan een kwart eeuw Afrika en het Belgisch ontwikkelingsbeleid.

    Het lijkt erop. Al verbergen de veelbelovende Belgische plannen voor Guinée Conakry en Burkina Faso, de twee nieuwe partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, tegelijk ook de onmacht om nog iets te kunnen betekenen in het kerngebied van diezelfde ontwikkelingssamenwerking: het Gebied van de Grote Meren, in Congo-Kinshasa, Rwanda en Burundi.

    Veelbelovend

    Het was erg lang geleden dat twee Belgische regeringsleden, in dit geval vicepremier en minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo en staatssecretaris voor Buitenlandse Handel Pieter De Crem, nog zo warm onthaald werden in een Afrikaans land.

    In Guinée mondde het geplande halfuurtje audiëntie met de president uit in een langgerekte privé-lunch én een staatsbanket diezelfde avond. De Franse flair van de pas herkozen president, die 50 jaar als opposant in Frankrijk geleefd had, charmeerde de Belgische politici en zo konden ze met een gerust gemoed doorreizen naar Burkina Faso.

    Daar gaf de pas verkozen president, vrucht van de snelle democratisering in amper anderhalf jaar tijd, zelfs glimlachend een interview aan de meegereisde Belgische pers. Daarin herhaalde hij zijn democratische geloften, precies waarvoor de bezoekers gekomen waren.

    In beide landen hopen Belgische bedrijven én ontwikkelingswerkers met een propere lei te kunnen beginnen om snel resultaten te boeken. De lokale politieke wil in een democratische omgeving, en dat in landen waar het werk voor het rapen ligt, dat wordt ‘scoren’ in de loop van de komende paar jaar, hopen zowel Buitenlandse Handel als Ontwikkelingssamenwerking. Als alles loopt zoals verwacht kunnen de heren De Croo en De Crem nog voor het verstrijken van hun mandaat uitpakken met enige jubelcommuniqué ’s over de geboekte resultaten in West-Afrika.

    Maar het risico is groot dat het, wat Afrika betreft, ook daarbij zal blijven. En dat is precies de achilleshiel van dit Afrika-beleid dat er eigenlijk geen is.

    Geen Afrika-politiek

    Vorig jaar was het precies twintig (sic!) jaar geleden dat een Belgische regering nog eens haar Afrika-beleid duidelijk omschreven had: de Afrika-nota van (toen) minister van Buitenlandse Zaken Frank Vandenbroucke. Sindsdien wilde of kon geen enkele regering nog op papier zetten waar zij eigenlijk heen wil met een Belgische politiek in Afrika.

    Dat is met deze regering niet anders.

    Wellicht ligt daarin ook de verklaring waarom de randministers van de Belgische buitenlandpolitiek (Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel) zich zo graag en opgelucht op terreinen begeven waar nu eens géén onenigheid over bestaat. Wie kan er bezwaar hebben tegen Belgische steun aan een land dat de ebola-crisis nog maar pas overleefd heeft (Guinée) én waar de prille democratieën alle steun verdienen (Guinée en Burkina Faso)? Zeker niet de opperbaas op Buitenlandse Zaken, ook vicepremier, Didier Reynders. Want als de Belgische Afrika-gangers zich naar deze West-Afrikaanse landen begeven, kunnen ze alvast geen politieke schade oplopen met de heikele Centraal-Afrikaanse dossiers van Congo, Rwanda en Burundi, traditioneel de enige drie landen waar België nog iets betekent (of betekende?).

    Het blijkt immers veel moeilijker tot onmogelijk om alle betrokken Belgische bewindslieden op één lijn te krijgen als het gaat over de recente machtsgreep en verkrachting van zijn grondwet door de Burundese president Petero Nkurunziza, over de slinkse manoeuvres van de Congolese president Kabila om ook na 2016 nog aan de macht te blijven én over het repressieve regime van de Rwandese dictator Paul Kagame die zichzelf van de macht verzekerde tot … 2034, als hij dat wenst.

    Nochtans gaat het om de drie landen (het vroegere ‘Belgisch-Afrika’) waarover de kennis in België bij voorsprong het grootst is, nu al een eeuw lang. Het zijn ook de enige drie landen waarvoor in de internationale cenakels nog geluisterd wordt als Belgische diplomaten hun analyse brengen. In de Belgische academische wereld ligt meer kennis opgestapeld over Congo-Rwanda-Burundi dan over alle andere Afrikaanse landen samen, en die opstapeling is nog altijd niet stilgevallen, gelukkig maar.

    Alleen de politici én de massamedia hinken achterop.
    De massamedia omdat die altijd al de grillen van de eigen politici volgen; de politici omdat ze het onder elkaar niet eens geraken, en dan maar liever van de hete brij wegblijven. Liever geen standpunt over heikele Afrikaanse kwesties en dus ook geen beleid die naam waardig, dan de onenigheid daarover binnen de regering bloot te leggen.

    Waar is de moed?

    Vandaar de oorverdovende stilte over de politieke en economische corruptie in Kinshasa, Congo, en over de dictatoriale feitelijke machtsgreep in Kigali, Rwanda. Zelfs het Amerikaanse State Departement én het Witte Huis toonden zich de afgelopen maanden moediger en kritischer over de afdwalende regimes van de presidenten Kabila en Kagame, dan het zwijgzame Brussel. Pas als Europa zich waagde aan een kritische bemerking, durfde de Wetstraat zachtjes mee aanschuiven. Maar niet te luid, liefst zonder op te vallen.

    Alleen het politiek en militair onrustige Burundi kreeg afgelopen oktober een strenge minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo over zich heen, met harde ingrepen in het geplande ontwikkelingsbudget voor Bujumbura. Maar amper twee maanden later al ontving zijn collega van Buitenlandse Zaken Didier Reynders met open armen zijn Burundese homoloog en poseerde breed lachend voor de foto bij het obligate communiqué. Dat hield het bij een uitdrukken van ‘ongerustheid (…) over de politieke en veiligheidssituatie in Burundi’ en de oproep dat ‘resoluut voor een dialoog moet worden gekozen’. Diplomatieke taal om te zeggen dat het Burundese regime niet meteen een strijdvaardige Belgische regering moet vrezen, net zo min trouwens als de regimes in Congo en Rwanda: deze Belgische regering is absoluut niet van plan om krachtdadig een rol te spelen in de ontwikkelingen in het Gebied van de Grote Meren. Als de voldragen en beginnende dictators al iets te vrezen hebben van de internationale gemeenschap, dan zal het initiatief daarvoor zeker niet uit de Wetstraat komen.

    Geen visie

    Het gebrek aan een eendrachtige (Centraal-)Afrika-visie binnen de Belgische regering is niet meteen goed nieuws voor de geëngageerde Belgische en Afrikaanse burgers die zich met de moed der wanhoop blijven inzetten voor meer gerechtigheid, vrijheid, respect voor de mensenrechten, kortom een echte ontwikkeling in de richting van een beter leven voor hun medeburgers in (ook) Congo, Rwanda en Burundi. Terecht voelen zij zich dikwijls in de steek gelaten. Zeker in landen waar de repressie en de corruptie zo welig tieren, blijft die steun van buitenaf absoluut noodzakelijk om enige vooruitgang te boeken op weg naar een eerste glimp van ‘democratie’, het échte mee-beslissen van het volk over zijn eigen lot.

    Laat het dan precies in Burkina Faso zijn, dat nieuwe partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, dat de democratiseringsbeweging al zoveel jaren lang gesteund werd met Belgisch ontwikkelingsgeld. Nu die beweging een grote stap vooruit heeft gezet, pronken de Belgische bewindvoerders graag met die jarenlange juiste keuzes.

    Maar diezelfde keuzes maken in de drie landen die hoe dan ook de financiële top drie uitmaken van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, daarvoor is veel meer moed en visie nodig.

    Moed en visie die op dit ogenblik in de Wetstraat nergens te bespeuren vallen.