Wat zou er van Aylan geworden zijn? - Aya Sabi

De afgelopen dagen was de vraag wat de kleine Aylan geworden zou zijn als hij de overkant levend had gehaald. De een maakt van hem een potentiële dokter, een verheerlijking. De ander maakt van hem een potentiële aanrander, een vernedering. Nu hij verorberd en uitgespuwd werd door de zee, is hij niets meer dan een lichaampje waarover eerst gerouwd werd, maar dat nu gekaapt wordt door het publieke debat.

Aya Sabi studeert aan de Universiteit Hasselt en blogt om de twee weken voor deredactie.be.

Een mens

Wat de kleine Aylan zou worden als hij de overkant wel had gehaald? Een mens. Zoals we allemaal mensen zijn, fouten maken, vallen en opstaan, overwinnen en verliezen, vergeten en ons herinneren, achteruit wandelen en weer naar de open lucht boven ons kijken om onze volgende stappen te beredeneren of juist roekeloos verder te gaan.

Zoals Aylan een mens zou worden, zijn alle vluchtelingen op de eerste plaats mensen. Mensen hebben recht op leven. Het recht om fouten te maken en de gevolgen te dragen. Voor ieder die de wetten overtreedt, is er de rechtsstaat. Ook voor de vluchteling. Er zitten mannen tussen de vluchtelingen die vrouwen hebben aangerand. Maar ook mannen die een bloemetje uitdeelden uit solidariteit voor de aangerande vrouwen. Allebei vertegenwoordigen ze enkel zichzelf, niet de groep waartoe een buitenstaander ze onterecht zou rekenen.

Een broer

Maar het is makkelijker om van een mens een held of een antiheld te maken. Wit en zwart, goed en slecht, met niets ertussen, geen enkele schakering. Het ronduit onnozel verlangen om een complexe wereld te schetsen in knutselkrijt. Helaas worden de meeste, maatschappelijke discussies niet naar een hoger niveau getild.

Aylan heeft de overkant niet gehaald. We kunnen speculeren over wat er van hem geworden was als dit wel was gebeurd. Hij had het zoontje van Mariam kunnen zijn, één van de vele vluchtelingen, onderwerpen van een soms wreed debat, gedaantes uit een wredere realiteit. Ze is een van de duizenden mensen die in Duinkerke de winter proberen te doorstaan.

Als ik haar vraag waarom ze in Duinkerke wacht tot haar tentje in de modder zakt, aan haar laatste spulletjes zuigend als drijfzand, vertelt ze me dat ze de overkant wil bereiken. Groot-Brittannië, waar de laatste mensen zijn bij wie ze nog terecht kan: haar broer.

Ze vertelt niet veel over de gruwelijkheden die ze ontvlucht. De taal stopt ergens, waar de realiteit begint. Haar Arabisch is niet zo goed, omdat ze afkomstig is uit het Koerdische gedeelte van Irak. Toch vindt ze het juiste, Arabische woord om de wreedheid te beschrijven: “Ze hebben ons vernederd.” Dat was genoeg voor mij om als in een film een hele reeks van gruwelijkheden te zien voorbij schieten. Geweld. Misbruik. Verlies. Het was allemaal een vorm van vernedering. En gezichtsverlies is groot verlies binnen de Arabische cultuur.

Er liep een rilling over mijn rug. Mariam sprak. Ik luisterde.

Bij ons

Het zou niet goed gaan met Aylan in Duinkerke. Zoals het niet goed gaat met Mariam en duizenden anderen. Ondertussen is de eerste sneeuw in West-Europa gevallen. De temperaturen dalen. Het laatste brandhout smeult in dovende vuurtjes. De tenten zakken in de modder. Luizen en ziektes verspreiden zich onder de mensenmassa. Met duizenden man opgehoopt in Duinkerke. De omstandigheden zijn misselijkmakend, doen denken aan vergeten tijden of landen aan de andere kant van de evenaar. Niet hier. Niet bij ons. Niet terwijl we doen alsof er niets aan het gebeuren is.

lees ook