Wetenschappers zien een derde minder reeën in het Zoniënwoud

Wetenschappers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en hun collega-onderzoekers uit het Brussels Gewest en Wallonië, hebben de afgelopen twee jaar tot een derde minder reeën in het Zoniënwoud gezien dan het gemiddelde van de vijf jaren daarvoor. "Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de populatie zo sterk afgenomen zou zijn", zegt onderzoek Frank Huysentruyt (INBO).

Om zicht te krijgen op de evolutie van de reepopulatie in het Zoniënwoud, voeren de drie verschillende gewesten sinds 2008 systematische reewildtellingen uit.

Op basis van de "kilometerindexmethode", het aantal waargenomen reeën gedeeld door het aantal kilometers per vast parcours, wordt bepaald of de populatie toeneemt, afneemt of stabiel blijft." De tellingen gebeuren vier keer per jaar over 24 parcours die samen 118,5 kilometer lang zijn.

Daar waar tussen 2008 en 2013 het maximaal aantal waargenomen reeën schommelde tussen 137 en 154, lag dat cijfer in 2014 en 2015 respectievelijk op 108 en 83.

"In het Zoniënwoud is de ondergroei de afgelopen jaren plaatselijk sterk toegenomen, waardoor het een stuk moeilijker is om te zien", stelden Huysentruyt en zijn collega's vast. Eenzelfde geluid is te horen bij boswachters en gebruikers.

Om uit te maken of de lager getelde aantallen daadwerkelijk het gevolg zijn van een verminderde zichtbaarheid, zullen vanaf volgend jaar specifieke zichtbaarheidsmetingen doorgaan op de onderzoekstrajecten. "We zullen met een afstandsmeter kijken we tot hoever je kan zien, om op die manier tot meer objectiveerbare gegevens te komen."