Een film over de onderbuik van Londen - Ivan Ollevier

Vanaf vandaag kunnen we ook in ons land in de bioscopen kijken naar de film "Legend" over het ruige leven van twee zware criminelen in Londen. Deze film verleidt onze kenner van Groot-Brittannië Ivan Ollevier tot een analyse over het leven in "East End".
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Ivan Ollevier is journalist buitenland bij VRT Nieuws en auteur van onder meer “Monnik, boer, spion en hoer”, over de geschiedenis van Engeland.

Binnenkort komt de film “Legend” in de bioscopen. “Legend” gaat over het leven van de beruchte tweeling Reggie en Ronnie Kray, die in de jaren vijftig en zestig de Londense East-End onveilig maakte.

Op 17 oktober 1933 had Violet Kray, tot grote verbazing van de vroedvrouw, het leven geschonken aan een tweeling, twee gezonde jongens: Reginald (“Reggie”) en Ronald (“Ronnie”). De tweeling groeide op in de Londense East End, bekend om zijn zakkenrollers, zijn knokpartijen en zijn morsige pubs. Reggie was de slimste van de twee, Ronnie was trager en bedeesder; het waren twee ernstige jongens, die weinig lachten en meestal opvallend stil waren, maar die zich terwijl ze opgroeiden, met hun vuisten een reputatie bijeen vochten.

Ze hadden iets griezeligs: als ze andere jongens in elkaar sloegen, gaven ze geen enkele blijk van emotie; en ze gingen tot het uiterste, ze gebruikten fietskettingen of stukgeslagen flessen. In de East End keken ze niet op van een vechtpartij, maar wat de jonge Krays aanrichtten, was zelfs daar du jamais vu. Ze waren altijd samen, en wie het met Ronnie aan de stok kreeg, kreeg ook Reggie over zich heen. Of omgekeerd.

Maar Violet was trots op haar tweeling: ze adoreerden haar, ze dronken niet, ze gokten niet, ze vloekten nooit, ze waren welopgevoed en voorkomend, en voor meisjes hadden ze maar een matige belangstelling – Ronnie al helemaal niet, hij verkoos jongens.

Toen de politie een zwaargewonde tiener op straat opraapte, voor de ingang van een danszaal, wezen ooggetuigen de twee Krays aan, maar hun eerste rechtszaak draaide op niets uit: de avond voor het proces werd de getuigen duidelijk gemaakt dat ze beter hun verklaring introkken. De woorden “scheermes” en “gezicht” vielen. Wie de dreigementen had geuit was een raadsel, maar het was de eerste aanwijzing dat zich om de Krays een gewelddadige bende had gevormd.

Dienstplicht

In 1952 werd de Kraytweeling opgeroepen om hun dienstplicht te vervullen. Maar al na vijftien minuten hielden ze het voor bekeken en begaven ze zich richting uitgang. “Hé! Waar denken jullie wel dat je naartoe gaat?” riep de korporaal nog voor hij uiteen had kunnen zetten waarom het een eer is te mogen dienen bij de Royal Fusiliers.
Er viel een stilte, en toen mompelde Ronnie: “Het bevalt ons hier niet. We gaan terug naar ons mam.”

Eerst dacht de korporaal dat het een grap was en wilde hij nog iets zeggen over “plicht” en “vaderland”, maar toen hij bewusteloos tegen de grond smakte, was hij nog niet halverwege zijn zin geraakt. Het was zo snel gegaan dat hij niet eens had gezien wie van de twee broers, de grootste of de kleinste, hem die rechtse had toegediend. De man was wekenlang arbeidsongeschikt, maar Ronnie en Reggie waren op tijd terug in Vallance Road, bij hun “mam”, voor het avondeten.

Ze doken acht maanden lang onder in de straten en steegjes van de East End voor ze uiteindelijk werden gevat, maar in de gevangenis maakten ze het zo bont dat het leger het raadzaam vond de twee met een lichte straf te laten gaan. De militaire cipiers, die in de loop der maanden latrine-emmers over zich heen hadden gekregen of herhaaldelijk in elkaar waren geramd, slaakten een zucht van verlichting. De Krays hadden het militaire apparaat duidelijk gemaakt dat er op hun hang naar geweld geen maat stond.

"Long firms"

Terug bij mam, in de East End, lieten ze hun oog vallen op een biljartzaal in Eric Street, The Regal. De uitbater begreep eerst niet hoe het kwam dat er in zijn zaak plotseling elke avond hommeles was, soms werd een willekeurige stamgast zonder enige aanwijsbare aanleiding met een keu in elkaar geramd, er waren vechtpartijen met dolken en scheermesjes, hij kreeg anonieme dreigtelefoons. Wie daar verantwoordelijk voor was, was niet duidelijk, maar toen de Krays hem voorstelden de zaak over te nemen voor vijf pond per week wist hij dat hij beter niet te lang twijfelde.

The Regal werd hun hoofdkwartier. De Krays hadden rond zich een garde van trouwe en bijzonder gewelddadige handlangers verzameld, en elke avond hielden ze er hof. Ze waren er de guv’nors, en zelfs de messentrekkers van de East End waren als de dood voor hen. Vooral als Ronnie lachte, wist iedereen dat het opletten geblazen was. Lachte hij omdat hij je sympathiek vond of omdat hij het tafereel al voor zich zag: hoe hij je halfdood sloeg en je daarna met je hoofd vooruit door een venster keilde.

Wie gestolen goederen wilde slijten, trok naar The Regal. De tweeling kende altijd wel iemand die de inhoud van een opslagplaats op de kop wou tikken. Soms stuurden ze zelf freelance dieven uit, en zochten ze een heler voor de goederen; zelf maakten ze hun handen niet vuil, maar de vele procentjes die ze inden op de transacties waren voldoende om een klein fortuin aan te leggen.

Hun specialisatie was zogenaamde “long firms”. De Krays richtten een bedrijf op, plaatsten bestellingen bij nietsvermoedende leveranciers die ze daarna keurig betaalden. Zo bouwden ze geloofwaardigheid op, tot ze een grote bestelling plaatsten, het bedrijf opdoekten en hun (ondertussen leeggemaakte) opslagplaats in de fik staken.

Geweld

Van de Krays was bekend dat ze goed zorgden voor de mensen in “de Firma”. Als een van hen werd opgepakt, bekommerden ze zich om het gezin, ze zorgden ervoor dat de huishuur betaald werd, en wanneer de vrouw tijdens de penitentiaire afwezigheid van haar man vreemd ging, werd haar op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt dat de Krays huwelijkstrouw hoog in het vaandel droegen.

Andere bendes in de East End begonnen hun concurrentie te vrezen. De drie bendeleiders die de wijken Poplar en Mile End controleerden, vonden dat het tijd werd om orde op zaken te stellen, en nodigden de broers uit voor “een bespreking”. De vechtpartij had plaats in de achterkamer van een pub. Toen de eigenaar eindelijk de deur weer durfde te openen, was de kamer bezaaid met glas en bloed. Twee van de drie gangsters lagen bewusteloos en hevig bloedend op de grond, en als ze Ronnie niet met vereende krachten van de derde hadden weggetrokken, had hij hem vast en zeker vermoord.

Op die manier bouwden de Krays hun imperium in de East End verder uit. Elke dief, elke illegale goktent (“spielers”), elke bookmaker en elke pub in de East End betaalde hun beschermgeld. Reggie kon er zijn eerste Amerikaanse auto mee kopen (met chauffeur), en Ronnie zijn maatpakken. Hij omringde zich met een verzameling knappe jongens en legde in het arbeidershuisje in Vallance Road (“Fort Vallance”) een unieke collectie zwaarden aan.

Reggie begon zich meer en meer zorgen te maken over Ronnies uitzonderlijk en vaak onnodig gewelddadige gedrag. Hij zag overal vijanden en verraders, hij legde een zwarte lijst aan en zelfs het personeel van “de Firma” vreesde de kille paranoia van “de Kolonel”. In de documentaire Flesh and Blood vertelt een van hen hoe Ronnie op een avond de biljartzaal binnenkwam, recht op ene George Dixon toestapte, de loop van zijn Beretta tegen Dixons slaap zette en twee keer de trekker over haalde. Twee keer gebeurde er niks, alleen het geklik van de trekker. Een grap, dacht iedereen, tot Ronnie twee kogels uit de cilinder haalden en ze op de tafel gooide: “Alsjeblieft George, dit is je verjaardagsgeschenk.”

Uit elkaar

In 1956 werd Ronnie veroordeeld tot drie jaar voor slagen en verwondingen. Voor het eerst in hun leven werd de tweeling gescheiden. Terwijl Ronnie erin slaagde het herenleven dat hij in de East End had genoten ook binnen de gevangenismuren voort te zetten, maakte Reggie (van de twee altijd al het meest zakelijk aangelegd) zijn droom waar: een echte, fatsoenlijke nachtclub in de East End, een plek waar de jeunesse dorée en filmsterren elkaar konden ontmoeten. Het werd de Double R, naar de initialen van de broers.

Voor het eerst in zijn leven keek Reggie naar de vrouwen. “Je wordt een watje,” was Ronnies commentaar. “Je weet toch dat vrouwen stinken en dat ze je vieze ziektes bezorgen?” Ronnie had alleen maar verachting voor Reggies zakelijke ambities, Ronnie droomde van vechtpartijen en vuurgevechten, en van jongens. In de gevangenis ging hij door het lint. Nadat hij in de kantine amok had gemaakt, staken ze hem in een dwangbuis en werd hij overgeplaatst naar de afdeling psychiatrie, waar hij officieel paranoïde schizofreen werd verklaard. In 1959 werd de sadistische psychopaat weer op de wereld losgelaten.

Attila

Toen Reggie op zijn beurt voor anderhalf jaar naar de gevangenis verdween, had Ronnie het rijk voor zich alleen. In Londen braken regelrechte bendeoorlogen uit, in Paddington, in Soho, in de East End, in Notting Hill, in Zuid-Londen. Al wie fortuin maakte met afpersing, beschermgeld en huurophaling nam Ronnie in het vizier.

De waarzegster die hij bezocht, bezwoer hem dat hij de reïncarnatie was van Atilla de Hun. Hij genoot van de stilte die viel wanneer hij een nachtclub binnenkwam, hij genoot van de angst in de ogen van al wie zijn pad kruiste. “Hij ruïneert ons,” klaagde Reggie vanuit de gevangenis. Maar hij moest machteloos toezien hoe zijn broer zijn bloeddorst liet botvieren en de Double R ten gronde richtte.

Toen hij vrijkwam, richtte Reggie al zijn energie op de nachtclub die ze in de West End hadden overgenomen, Esmeralda’s Barn. En op het zestienjarige meisje op wie hij verliefd werd. Frances was mooi en ernstig, en haar vader vond Reggie best in orde: “Hij gebruikte geen schuttingtaal, zelfs niet als wij onder ons tweeën praatten, en hij bracht haar altijd op tijd naar huis. Hij misbruikte haar nooit en behandelde haar als een dame.” Reggie kocht juwelen voor haar, nam haar mee uit eten, hij was de perfecte gentleman, en hij droomde van een normaal leven, van kinderen zelfs.

Het beschermgeld stroomde weer binnen, en even ging het de Krays opnieuw voor de wind. Ze waren gul voor liefdadigheidsprojecten en kankerfondsen. Rust- en weeshuizen deden nooit tevergeefs een beroep op hun vrijgevigheid, ze financierden tientallen kerstfeestjes voor gepensioneerden in de East End; ze investeerden in de reguliere economie, in restaurants en in een sloopbedrijf. In Esmeralda’s Barn kwamen beroemdheden, politici en would-be filmsterren doorzakken. Als Frank Sinatra naar Londen kwam, liet hij nooit na een bezoek te brengen aan de Krays.

Onoverwinnelijk

De tweeling zag er voor de buitenwereld volslagen normaal uit, als daar niet de sporadische uitbarstingen waren waar Ronnie ten prooi aan viel: een bokser die hij met een mes bewerkte of een jongen wiens beide wangen hij met een roodgloeiend mes brandmerkte. Of George Cornell, een lid van de rivaliserende bende van de Richardsonbroers die het gewaagd had hem “een vette nicht” te noemen: op een avond stak Ronnie zijn Mauser in zijn holster en liet zich door zijn chauffeur naar de pub The Blind Beggar brengen, waarvan hij wist dat Cornell er zat te drinken. Op de jukebox speelde The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore van de Walker Brothers toen Ronnie Cornell in het hoofd schoot, en met de handen in zijn zakken weer naar zijn wachtende limousine stapte.

Er waren meer dan dertig getuigen, heel de East End wist wie Cornell had vermoord. Niemand praatte. Ronnie en Reggie waren de ongekroonde koningen van de East End, en niemand waagde het hun iets in de weg te leggen. De Krays leken onoverwinnelijk.

Wraak

Maar vanaf 1966 ging het bergaf. Frances, de vrouw van Reggie, ondernam haar eerste zelfmoordpoging, Reggies glamoureuze gangsterhuwelijk was al na enkele maanden ten dode opgeschreven. Ronnie sloot zich alsmaar vaker op in zijn kamer, met gesloten gordijnen, tot de tanden gewapend, en met een fles gin binnen handbereik. Zelfs zijn jonge minnaars konden zijn angst voor het donker en zijn paniekaanvallen niet wegnemen. In de eenzaamheid van zijn bed bedacht hij manieren om zich van zijn vijanden te ontdoen. Zijn geweldfantasieën waren het enige dat hem kon opbeuren, tot de depressie weer bezit van hem nam en hij huilend om zijn moeder riep.

De actie van de Krays om een van Engelands zwaarste misdadigers, Frank Mitchell, bijgenaamd de “mad axe-man”, uit de gevangenis te bevrijden eindigde in een catastrofe: wekenlang hielden ze Mitchell verborgen in een huis in de East End, maar toen Mitchells psychoses voor zijn omgeving ondraaglijk werden, wist de tweeling zich geen raad. Zijn lichaam werd nooit teruggevonden. Het personeel van “de Firma” werd onderworpen aan een regime van blinde terreur. Ook Ronnies chauffeur en ene Mad Teddy Smith verdwenen spoorloos, na een ruzie met Ronnie.

In 1967 ondernam Frances haar zoveelste zelfmoordpoging, met een overdosis fenobarbital. Deze keer met succes. Ze was drieëntwintig. Haar moeder hield vol dat ze nog maagd was. Reggie schreef een ontroerend vers voor haar doodsprentje en ze kreeg een begrafenis die de vrouw van een gangsterbaas waardig was, met tien zwarte limousines. Reggie ging er compleet aan onderdoor. Wat het verdriet niet voor elkaar kreeg, deed de drank: hij werd vervuld van een haat tegen alles en iedereen, en hij zon op wraak. Wraak tegen de wereld.

Inspecteur Leonard "Nipper"

Toen een van hun huurmoordenaars, Jack “the Hat” McVitie, er niet in slaagde de vroegere boekhouder van de Krays een kopje kleiner te maken, vonden Ronnie en Reggie dat het tijd werd om zelf in te grijpen. Een strafexpeditie tegen McVitie, in een flat in de East End, eindigde in een bloedbad, waarbij de man op beestachtige wijze werd afgemaakt. Deze keer was het Reggie die het mes hanteerde. Reggie zag er geen graten in om een man in de benen schieten, of zijn gezicht open te halen, maar voor moord was hij altijd teruggedeinsd.

Niet deze keer. Hij gaf zich over aan een orgie van geweld, aangemoedigd door zijn broer Ronnie (“Maak ‘m af, Reg, maak ‘m af”), die vond dat Reggie nu eindelijk eens moest bewijzen dat ook hij bereid was om zijn handen vuil te maken. Achteraf schepte Ronnie tegen al wie het horen wilde op over de doodsangst in McVities ogen, over zijn gehuil en dat hij krijste als een varken terwijl hij stikte in zijn bloed, en dat ze achteraf zijn lever doorgespoeld hadden in het toilet. Geruchten deden de ronde dat McVities lichaam in beton was gedumpt op een bouwplaats in de City.

Maar in het diepste geheim was Scotland Yard een onderzoek gestart. Inspecteur Leonard “Nipper” Read had veertien man op de zaak gezet. Maandenlang werkte Nipper met man en macht aan de zaak, getuigen werden overgehaald, undercoveragenten verzamelden bewijzen en langzaamaan groeide het dossier aan. Het leek alsof de muur van angst en stilzwijgen die de East End rond de tweeling had opgetrokken, eindelijk aan het afbrokkelen was.

In de nacht van 8 op 9 mei 1968 verzamelden zestig politieagenten op het geheime adres waar Nipper Read en zijn team onderdak hadden gevonden. Om middernacht kregen ze instructies: stipt om zes uur zouden ze over heel Londen binnenvallen op vierentwintig adressen. Nipper Read zou zelf de tweeling voor zijn rekening nemen. Toen het zover was, waren de Krays in een diepe slaap, Reggie met een jonge vrouw, Ronnie met zijn nieuwste aanwinst, een blonde jongen met (zoals hij ze graag had) lange wimpers.

Het einde

Hun proces was het langste en het duurste uit de geschiedenis van de Engelse rechtspraak. Voor hun ogen zagen de Krays een voor een de leden van de Firma passeren, ex-handlangers, ex-huurmoordenaars en als klap op de vuurpijl: de barmeid van The Blind Beggar, die getuige was geweest van de moord op Cornell en die toegaf dat ze jarenlang had gezwegen uit angst voor haar leven.

Achtentwintig criminelen waren bereid gevonden om, in ruil voor buitenvervolgingstelling, tegen de Krays te getuigen. De broers werden veroordeeld tot levenslange opsluiting. Hun hooggeplaatste vrienden, zoals het Conservatieve biseksuele parlementslid Lord Boothby, de jarenlange minnaar van de vrouw van premier Macmillan, stonden machteloos.

Ronnie werd opgesloten in de psychiatrische afdeling van de gevangenis van Broadmoor, en later in Norfolk, waar hij in zijn dure maatpakken ongetwijfeld de best geklede gevangene was. Hij gaf er zich over aan schilderen – steeds weer hetzelfde landschap met een huisje en een boom. Hij stierf in 1995 aan een hartaanval.

Reggie vernam de dood van zijn broer van een medegevangene, die het nieuws op de radio had gehoord. Zelf had hij zich ondertussen bekeerd tot het christendom, en schreef hij poëzie. In 2000 werd hij op vrije voeten gesteld, omdat hij leed aan terminale blaaskanker.

Op 1 oktober van dat jaar, een maand na zijn vrijlating, overleed hij in zijn slaap. Zowel zijn begrafenis als die van Ronnie bracht duizenden East Enders op de been. In The Blind Beggar vertelt een in de East End geboren en getogen vriendin en BBC-collega me dat ze zich herinnert dat de straten van Bethnal Green afgesloten waren voor het verkeer en de winkels dicht bleven, dat ze zich de kortgeschoren securitymensen met hun zonnebrillen herinnert, de karakterkoppen van de mannen rond de kist, en hoe de vrouwen van de East End sisten naar de politieagenten: “Niet welkom.”

Zwarte koets

“Voor de East End was dit een historisch moment. Bij een traditionele East End-begrafenis is het gevoel van respect en verlies bijna tastbaar: de begrafenisondernemer met zijn zwarte cape, die met zijn stok op de grond tikt en voorop loopt in de stoet. En als de familie zich dat kan veroorloven, kiest ze voor met pluimen getooide paarden en een zwarte koets.

Het is een traditie die sinds de victoriaanse tijd onveranderd gebleven is. De koets met Reggies kist werd getrokken door zes zwarte paarden. De bloemenkransen vormden de woorden ‘EINDELIJK VRIJ’.”