Vreugde en onrust over kelderende olieprijzen

Uw auto voltanken is een stuk leuker dan enkele jaren geleden. De prijzen voor diesel en benzine aan de pomp zijn het meest voelbare gevolg van de instortende olieprijzen op de internationale markt. Er zijn echter meer gevolgen en die zijn niet allemaal even prettig.

Wie al wat langer meedraait, herinnert zich hoe een Arabische olieboycot en fors duurdere olieprijzen midden de jaren 70 leidden tot een langdurige economische crisis die een einde maakte aan de "Golden Sixties".

Sinds anderhalf jaar zitten we met het omgekeerde: de olieprijzen zijn gedaald van meer dan 100 dollar per vat tot nu iets boven de 26 dollar en volgens de VS-zakenbank Morgan Stanley is 20 dollar een mogelijkheid. Koppel daar ook nog een slappe winter en de terugkeer van Iran op de oliemarkt aan en de bodem is nog lang niet in zicht.

In normale omstandigheden zouden lage energieprijzen de economie "een tijger in de tank" moeten steken. Energie zit niet enkel in uw auto en verwarmingsketel, maar is ook vervat in de  prijzen van bijna alle producten die u koopt, want die moeten gemaakt en vervoerd worden.

En hier wringt nu precies het schoentje: de lage olieprijs heeft ook tot gevolg dat de inflatie in Europa nauwelijks nog bestaat en ver onder de 1,8% van het bbp zit, het streefdoel van de Europese Centrale Bank (ECB). Die moet dan ook alle monetaire en onconventionele middelen zoals steunaankopen inzetten om toch nog te kunnen spreken van iets dat op economische groei lijkt.

Dweilen met de oliekraan open

Terwijl de wereldeconomie slabakt, draait de olieproductie nog altijd op volle toeren en nu de sancties tegen Iran worden opgeheven, wil dat land natuurlijk zijn marktaandeel herstellen en heeft het dringend geld nodig om zijn infrastructuur te moderniseren. 

Anderzijds is aartsrivaal Saudi-Arabië niet van plan om marktaandeel op te geven om de prijs te stabiliseren, zeker niet ten gunste van Iran en de meeste andere Arabische Golfstaten lopen aan de Saudische leiband. Nu is het oppompen van olie in de dunbevolkte Golfstaten goedkoper dan bij hun concurrenten, maar ook zij zouden volgens het IMF de volgende jaren tot 275 miljard dollar inkomsten mislopen en halen dus -Saudi-Arabië incluis- budgettair de buikriem aan. Oliesjeiks die besparen, dat wil zeggen dat ze minder hoog kwalitatieve goederen kopen en die kopen ze veelal in het Westen.

Veel erger is de situatie voor olieproducenten met een grote bevolking zoals Rusland en Venezuela die in een diepe economische recessie zitten. Ondanks alle stoer gedrag van Poetin, is zijn positie zo internationaal verzwakt en het radicaal-linkse regime in Venezuela lijkt zowel politiek als economisch failliet in Latijns-Amerika. Op slogans alleen draait een economie niet.

De situatie omdraaien, is niet eenvoudig. Olieproducenten zijn ook elkaars concurrenten en die spelen vandaag keihard poker met marktaandeel als inzet. Bovendien willen de Saudi's ook geldreserves deels opbranden om Amerikaanse producenten van schaliegas -duurder in productie- het leven zuur te maken. 

Meer aanbod, minder vraag

Nu is er natuurlijk meer nodig dan olieprijzen om de wereldeconomie onderuit te halen, maar er zijn voldoende andere onrustwekkende factoren. 

Een belangrijk structureel fenomeen is dat de ooit zo geprezen "groeilanden" niet meer groeien. Rusland, Brazilië, Zuid-Afrika, Turkije, Indonesië, Thailand en anderen kampen met recessies of verdwenen groei. China groeit nog wel, maar alsmaar trager en bovendien is er scepsis tegenover de officiële cijfers daar. Dit is eerder structureel dan conjunctureel: er lijkt een einde te zijn gekomen aan twee decennia van spectaculaire groei in China.

De "fabriek van de wereld" wordt te duur qua kosten, de corruptie, rechtsonzekerheid, vervuiling, overheidsmanipulatie van de munt en handelsvoorwaarden en achterhaalde politieke beperkingen van internetverkeer jagen investeerders weg naar Zuidoost-Azië, dat wellicht de volgende groeipool wordt. 

Intussen kampt China met industriële overcapaciteit, inefficiëntie, instortende beurzen, vastgoed- en schuldenzeepbellen. De overgang naar een nieuw economisch model zal tijd vergen en de rest van de wereld zit intussen niet stil. Van al die BRICS kent intussen enkel India nog een forse groei, maar hoelang nog?

Wie groeit er dan nog wel?

In een geglobaliseerde wereldeconomie hebben problemen elders ook bij ons gevolgen. Kwakkelende groeilanden betekent ook minder kopers voor westerse producten en dus verliest ook onze industrie stoom nu Chinese, Russische en Arabische rijken niet meer met geld kunnen gooien. Vooral de Europese luxeproducten zien de vraag afkalven.

Europa kampt al langer met lage groei en geharrewar rond de euro, maar de voorbije jaren konden de Duitse en de Amerikaanse economie mooie cijfers voorleggen. Dat is nog altijd zo, maar analisten vragen zich af hoe lang dat nog kan duren in een alsmaar vertragende wereld.

Nu was een deel van die groei de voorbije jaren het gevolg van de erg lage rentevoeten en het geld pompen in de economie door de centrale banken. Dat is uiteraard ook niet eindeloos vol te houden en goedkoop geld zet tot risico aan en heeft de beurskoersen de voorbije jaren fors te hoogte ingejaagd.

Dat lijkt nu gecorrigeerd te worden, vooral dan in de noteringen van olie- en mijnbedrijven, maar vooral ook in de internationale prijzen voor energie en grondstoffen. Grote concerns zoals Shell schrappen investeringen, overcapaciteit, maar tegelijk ook duizenden banen wat de koopkracht dan weer afremt, wat dan weer gevolgen heeft voor andere bedrijven. Of hoe zowel erg goedkope als erg dure olie messen met twee kanten zijn.

AP2012