Over evolutie en geloof - Johan Braeckman

De Standaard publiceerde vorige vrijdag (22/1) een recensie door Rik Torfs van het recente boek van Maarten Boudry over illusies. Een echte bespreking van het boek geeft Torfs ons niet, het is eerder een meanderend essay. Er staan meerdere merkwaardige opvattingen in. Bij eentje wil ik graag even blijven hangen, de relatie tussen evolutie en geloof.

Johan Braeckman is filosoof aan de Universiteit Gent.

Torfs schrijft: “Zelf heb ik nooit begrepen waarom er een tegenstelling zou zijn tussen de evolutietheorie en het bestaan van God. Of tussen de evolutietheorie en het allegorische scheppingsverhaal uit de Bijbel. Voor Boudry zijn die contradicties er duidelijk wel.” Natuurlijk zijn ze er, niet alleen voor Maarten Boudry, maar ook voor honderden miljoenen gelovigen. Torfs is zelf gelovig, maar zijn geloofsopvattingen zijn zo plastisch en etherisch dat ze zich moeiteloos kunnen aanpassen aan om het even welke feitelijke inzichten en logische argumenten. Mocht onomstotelijk vast staan dat Jezus nooit bestaan heeft, het zou de Torfsiaanse interpretatie van het christendom niet deren.

Het ongeloof van Wallace

Voor tal van gelovigen was het snel duidelijk dat Darwins evolutietheorie hen voor zeer ernstige problemen stelde. Ook in 1859, het jaar van de publicatie van “On the Origin of Species”, begrepen de meeste intellectuelen dat men het scheppingsverhaal allegorisch moest interpreteren. Het was dus niet de totale onmogelijkheid om het boek Genesis nog langer letterlijk te nemen dat men aanstootgevend vond.

De discussies draaiden rond twee fundamentele kwesties. Op de eerste plaats maakte men zich grote zorgen over het mensbeeld dat uit de evolutietheorie naar voren komt. Wordt de mens gedegradeerd tot een dier? Verliest de mens zijn waardigheid? Zet de evolutietheorie aan tot geweld en morele bandeloosheid? Het antwoord, voor de duidelijkheid, is telkens neen.

Ten tweede worstelde men met de gevolgen voor religie van natuurlijke selectie, het mechanisme dat Darwin blootlegde als de motor van de evolutie. De tweede kwestie is meer fundamenteel. De eerste is er eigenlijk een gevolg van. Geen enkele gelovige die zich in de monotheïstische traditie situeert en op redelijke wijze over religie nadenkt, ontsnapt aan de diepe complexiteit hiervan. Wat Darwin ontdekte, is hoe ordelijke systemen, inclusief intelligente, bewuste, doelgerichte en morele organismen, spontaan kunnen ontstaan door de werking van blinde, onbewuste, niet doelgerichte, amorele en niet-intelligente krachten. Darwins inzicht, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is lastig om te doorgronden, onder meer omdat het erg contra-intuïtief is.

Een anonieme criticus van Darwin verwoordde het in 1868 zo: “[In Darwins theorie] is Absolute Onwetendheid de schepper; het fundamentele principe van het hele systeem mogen we dus omschrijven als het vermogen om een prachtige, perfecte machine te maken, zonder dat men weet hoe die te maken. (…) Meneer Darwin, door een vreemde omkering van de logica, lijkt te denken dat Absolute Onwetendheid volledig gerechtvaardigd is de plaats in te nemen van Absolute Wijsheid als het gaat om werken van creatieve vaardigheid.” De criticus begreep Darwin bijzonder goed, ook al is hij het duidelijk niet met hem eens. Het klinkt ook erg onwaarschijnlijk. We zijn zo sterk geneigd om datgene wat er ordelijk en functioneel uitziet te koppelen aan een vorm van creatieve intelligentie, dat het nauwelijks voorstelbaar is dat die functionele orde ook anders kan ontstaan. Die drogreden passen we bij uitstek op onszelf toe. De mens is immers zo bijzonder dat hij wel bedacht, verwacht, gepland en bedoeld moet zijn. Of nog: hoe kunnen bewuste wezens ontstaan vanuit de totale afwezigheid van bewustzijn? Zelfs onder diegenen die een of andere vorm van evolutie aanvaarden, maken velen voor de mens een uitzondering. Ook de mens kan best wel het product van evolutie zijn, maar dan niet de vorm van evolutie die wordt voortgestuwd door natuurlijke selectie.

Alfred Russel Wallace, die men vaak als co-ontdekker van de evolutietheorie beschrijft, beschouwde reeds de mens als een apart geval. Dat brein van ons is zo bijzonder, redeneerde Wallace, dat kan niet louter door het volslagen ongerichte proces van evolutie door selectie zijn ontstaan. Darwin had een dieper inzicht in het mechanisme dat hij en Wallace blootlegden en gaf aan dat ook de mens en zijn mentale vermogens het resultaat zijn van blinde krachten, werkzaam over een gigantisch lange tijdsperiode. Reeds in “Over het ontstaan van soorten” schrijft hij: “In de verre toekomst zie ik nieuwe terreinen voor veel belangrijkere onderzoeken. De psychologie zal op een nieuw fundament worden geplaatst, dat van de noodzakelijke verwerving van alle mentale krachten en vermogens door middel van geleidelijke overgang. Er zal licht worden geworpen op het ontstaan van de mens en zijn geschiedenis.”

Ontologisch hoogspringen

Als Wallace het al lastig had met zijn eigen theorie, hoe moeilijk was en is ze dan niet voor gelovigen die ze goed doorgronden? Paus Johannes Paulus II, in zijn brief hierover aan de Pauselijke Academie voor de Wetenschappen uit 1996, trachtte de kwestie op te lossen door net zoals Wallace een uitzondering te maken voor de mens. De hele natuur mag dan wel het resultaat van evolutie door selectie zijn, maar de mens heeft ergens in zijn evolutie een “ontologische sprong” gemaakt, ongetwijfeld door een goddelijke tussenkomst. Hoewel velen de paus complimenteerden voor zijn open houding ten aanzien van de evolutietheorie, was het voor elke goede verstaander duidelijk dat hij niet in staat was om de filosofische gevolgen ervan ten volle te accepteren. Hoe zou dat ook kunnen? De paus voelde het spanningsveld tussen monotheïstisch geloof en Darwins kerninzicht immers zeer goed aan.

Onhoudbare posities

De door mij zeer bewonderde Amerikaanse auteur Martin Gardner (1914-2010) begreep dat het speelterrein van religie stilaan erg klein wordt. Hij hield niettemin vast aan zijn geloof, maar gaf zelf aan dat dit enkel kon door het geloof een volslagen mysterie te noemen, waarover men verder niets kan zeggen. Andere gelovigen werken zichzelf evenwel hopeloos in nesten. Het creationisme, zoals het zich in de twintigste eeuw ontwikkelde, stelt domweg dat het boek Genesis letterlijk waar is. Dit is niet alleen frontaal in strijd met de evolutietheorie, maar al evenzeer met de kosmologie, de geologie, de astronomie en met het gros van alle andere wetenschappelijke inzichten. Met andere woorden, die positie is volslagen absurd, ook al heeft ze vele miljoenen aanhangers.

Ook de manier waarop de paleontoloog en Jezuïet Pierre Teilhard de Chardin evolutie en geloof probeerde te verzoenen, was van meet af aan gedoemd om te mislukken. Evolutie is nu eenmaal niet doelgericht en de mens had evengoed niet kunnen bestaan. Teilhards bekendste boek is “Het verschijnsel mens” (1958). Vele lezers vonden het een visionair boek, maar het toonde vooral aan hoe weinig de auteur van evolutie had begrepen. De korte maar vernietigende recensie ervan door Peter Medawar laat zich nog altijd lezen als een oefening in kritisch denken.
De geëvolueerde vorm van creationisme die men “intelligent design” noemt en die even leek door te breken in de jaren negentig, is ondertussen ook al jaren naar het rijk der pseudowetenschappelijke fabelen verwezen. Nog een andere ‘oplossing’, naar voren gebracht door onder meer Stephen Jay Gould, bestaat erin om een radicale scheiding tussen evolutietheorie en geloof te verdedigen. Ook deze positie is onhoudbaar. Gould had het over “magisteria”, of “leerautoriteiten”. Het domein van religie, aldus deze positie, is ethiek en spiritualiteit, dat van de wetenschap is het empirisch kenbare en die twee hebben met elkaar helemaal niets te maken. Dat onderscheid is minder verstandig dan het misschien klinkt. Niet alleen is Goulds opvatting over wat religie is veel enger dan hoe de meeste theologen en gelovigen erover denken, maar bovendien is het onjuist dat wetenschap niks met religie heeft te maken. In religieuze opvattingen zitten immers veel empirische opvattingen vervat. Een universum dat door een almachtige, alwetende en algoede god geschapen is, zou er anders uitzien dan het universum dat we kennen. Dat is een empirische kwestie, en dus vatbaar voor wetenschappelijk onderzoek. De Nobelprijswinnaar fysica Steven Weinberg vatte de gangbare huidige wetenschappelijke opvatting hierover goed samen: “Hoe meer we over het heelal weten, des te duidelijker wordt het dat het doelloos en zonder betekenis is.”

De filosofische betekenis van Darwins mechanisme reikt ver. Het geldt niet alleen voor de biologische orde, inclusief de mens, maar evenzeer voor de hele kosmos. Het is begrijpelijk dat zoveel gelovigen die bereid zijn om er grondig over na te denken, er een hele kluif aan hebben. Voor wie evenwel aanvaardt dat de blinde krachten van het samenspel tussen toeval en noodzaak het universum en het leven vorm gaven en geven, is de kluif al lang verdwenen.

lees ook