Super Tuesday, zwemmen of verzuipen

Dinsdag 1 maart 2016, die dag hebben kandidaten met ambities voor het Witte Huis al lang met een grote dikke stip aangeduid in hun agenda. Het is "Super Tuesday", op de presidentsverkiezingen na de belangrijkste politieke dag in de VS. De dag waarop het grootste aantal staten voorverkiezingen houden, waarop de meeste "delegates" te verdienen zijn met het oog op de partijconventies komende zomer. Kandidaten hebben er de mond van vol, hun campagneteams krijgen er grijze haren van. Waarom is "Super Tuesday" zo super?

De term "Super Tuesday" duikt voor het eerst op in Amerikaanse media in 1976. Op 25 mei zijn er eerder bij toeval voorverkiezingen in 6 staten tegelijk (Arkansas, Idaho, Kentucky, Nevada, Oregon en Tennessee). Acht jaar later, op 13 maart 1984, houden 9 staten voorverkiezingen: Alabama, Florida, Georgia, Hawaii, Massachusetts, Nevada, Oklahoma, Rhode Island en Washington. Maar ook dan is er weinig beredeneerds aan.

Voor de eerste bewust georganiseerde Super Tuesday is het wachten tot 8 maart 1988. Democraten uit 9 zuidelijke staten (Texas, Florida, Tennessee, Louisiana, Oklahoma, Mississippi, Kentucky, Alabama en Georgia) bedenken in dat jaar het plan om hun voorverkiezingen op één dag te organiseren, in een poging om zo één kandidaat naar voren te schuiven die hun eigen zuidelijke belangen beter zou kunnen verdedigen.

Die strategie werkt niet bepaald, geen enkele kandidaat haalt een overwicht aan stemmen (uiteindelijk zou de uit het noorden afkomstige Michael Dukakis -kleine foto- nog de Democratische nominatie in de wacht slepen).

Missie niet geslaagd dus, maar toch betekent dat niet dat de eerste officiële Super Tuesday een experiment is om snel te vergeten. Allerlei andere effecten maken dat Super Tuesday alles in zich heeft om een bepalend moment voor campagnes, voor kandidaten en voor de geschiedenis te worden.

Het Iowa-syndroom en kruidenierspolitiek

Het voorverkiezingsseizoen sleept zich traag op gang, met sterk gehypete en gemediatiseerde campagnes in de staten die eerst aan de beurt zijn. Iowa en New Hampshire, de twee kleine oostelijke staten die het eerst stemmen, zijn niet representatief voor de volledige Amerikaanse bevolking, maar krijgen wel proportioneel veel aandacht. Kandidaten weten dat ook. Wie weinig middelen heeft en/of weinig aandacht krijgt, zet dan ook alles op alles om dáár in de kijker te lopen, de schijnwerpers (nog meer) op zich te krijgen en de toon te zetten voor de rest van de campagne. Het gehekelde Iowa-syndroom.

De kandidaten hebben met uitgestrekte voorverkiezingen daarnaast de kans om in elke staat apart uitgebreid rond te toeren. En in te spelen op de plaatselijke problemen, de lokale gevoeligheden van die staat. Retail politics, kruidenierspolitiek, zo je wil. In Michigan beloven ze vooral meer jobs voor de auto-industrie, in Kansas staat steun voor landbouw voorop. En in Florida is het dominante thema vooral hun visie om meer buitenlandse toeristen te lokken. Het is wel duidelijk, dat levert niet bepaald verhelderende inzichten op die op nationaal en internationaal niveau van tel zijn.

(foto: de Republikeinse senator Ted Cruz voert ijverig campagne in de staat Iowa begin januari, een maand voor de voorverkiezingen daar afgetrapt worden.)

Super Tuesday, super strategie

Met Super Tuesday verandert dat. Zoveel staten tegelijk, zoveel aandachtspunten, en zo weinig tijd vooraf, dat vraagt om een andere strategie. Kandidaten moeten nu proberen om zoveel mogelijk potentiële kiezers tegelijk aan te spreken. Diverse kiezers, met diverse achtergronden en diverse gevoeligheden. Het is dikwijls pas op dat moment dat écht duidelijk wordt hoe kandidaten over de grote thema’s denken.

Economie. Defensie. Ethische kwesties. Welzijn en gezondheid. Milieu en energie. Onderwerpen waar iedere Amerikaan, ongeacht waar hij woont of welke achtergrond hij heeft, op een bepaalde manier toch wel enige vorm van affiniteit mee heeft. Wholesale politics. Wat zijn de plannen van de kandidaten hiermee, en vooral, hoe concreet en realistisch zijn ze?

Kandidaten moeten op Super Tuesday zoveel mogelijk mensen kunnen aanspreken. Een belangrijke graadmeter voor de populariteit en verkiesbaarheid van een kandidaat op nationaal vlak.

(Foto: enthousiaste aanhangers van Hillary Clinton in Birmingham, Alabama, verdringen elkaar voor een selfie)

Super Tuesday: boot camp

Super Tuesday is niet alleen inhoudelijk, maar ook logistiek, fysiek, psychologisch en financieel een zware boot camp voor de presidentskandidaten en hun zich uit de naad werkende campagneteams. Zwemmen of verzuipen. Hard tegen onzacht.

  • Aan welke staten geven ze de meeste aandacht? Waar brengen ze een bezoek, waar blijft het bij een touchdown en even handjes wuiven op het vliegveld? Waar gaan ze de hort op?
  • Hoeveel financiële middelen kunnen en willen ze nog investeren in de campagne, en hoe? En waar?
  • Hoeveel budget is er nog? En hoe groot nog is de interesse van de sponsors? Hoeveel geld hebben ze nog nodig, kunnen ze nog aantrekken?
  • Kunnen de kandidaten het debat aangaan op een manier die waardig is aan iemand die je in het Witte Huis verwacht? Wie verrast, wie valt door de mand als het om kennis, plannen, projecten gaat? Kunnen ze om met de druk?
  • ...

Wat kunnen de Democratische en Republikeinse hopefuls nog als het om de knikkers gaat, ook dat is Super Tuesday.

Strategisch stressen

1992 maakt voor het eerst duidelijk wat Super Tuesday voor een kandidaat kan betekenen. Bill Clinton heeft alle eerdere voorverkiezingen verloren, het ziet er belabberd uit. Op 10 maart 1992 slaagt hij er desondanks in enkele belangrijke zuidelijke staten op overtuigende wijze te veroveren. Clinton zet de zegereeks voort, verzilvert uiteindelijk de nominatie én wordt president.

Meteen ook een illustratie waarom kandidaten koste wat het kost in de race willen blijven tot Super Tuesday, ook al is hun prognose niet gunstig. Duidelijke winst stuwt een kandidaat vooruit naar de nominatie. (foto: Bill en Hillary Clinton vieren zijn overwinning op Super Tuesday in 1992)

In 1996 verzekert Bob Dole op Super Tuesday zijn nominatie bij de Republikeinen, in 2000 stellen Al Gore en George W. Bush hun nominatie veilig. In 2004 betekent Super Tuesday voor John Kerry de doorbraak. Hij wint 9 van de 10 staten en dient zijn voornaamste concurrent John Edwards zo'n uppercut toe dat die de dag erna de handdoek in de ring gooit.

In 2008 klaart John McCain de klus voor de Republikeinen, maar bij de Democraten blijft het wel nog spannend. Barack Obama wint 13 staten, Hillary Clinton 9, maar zij heeft wel cruciale want grote staten wat betreft het aantal afgevaardigden. De nominatiestrijd sleept nog een tijdje aan, tot Clinton niet anders kan dan het onderspit delven.

Dit illustreert waarom campagneteams strategisch stressen over Super Tuesday. De schijnbaar "onvermijdelijke" presidentskandidaat Clinton was er volgens analisten zo zeker van dat de klus wel geklaard zou zijn tegen Super Tuesday, dat ze bijna al haar middelen tegen die datum had uitgegeven, en te weinig geïnvesteerd in staten waar na Super Tuesday gestemd werd. Een fatale misrekening die ze niet meer heeft kunnen goedmaken, is het oordeel.

(foto: de rijzende ster Barack Obama en de gevestigde waarde Hillary Clinton in hun laatste debat, enkele dagen voor Super Tuesday 2008)

Super Tuesday 2016

Hoe zal Super Tuesday 2016 de geschiedenis ingaan? Is Donald Trump nu definitief op weg naar de nominatie bij de Republikeinen? Of maken Ted Cruz of Marco Rubio een grote vuist? En kan Hillary Clinton bij de Democraten het Super Tuesdayspook van 2008 begraven of komt Bernie Sanders alsnog stevig uit de hoek? Het antwoord weten we woensdagochtend...