Wat ben je nog na 5 jaar oorlog? - Jens Franssen

Jens Franssen kruipt in de huid van de Syriër: de dader, het slachtoffer, de vluchteling, ... Hij trok elk jaar, zo lang de oorlog al duurt, naar Syrië voor verslaggeving voor VRT Nieuws en heeft dus veel gezien en gehoord.
labels
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Kniehoog staan we in het bloed. Wij, dat zijn Syrische boeren, leraren, militairen, verpleegsters,... Wij hebben gekneveld, verbrand, verkracht, gemoord, levend begraven, onthoofd, platgebombardeerd, geslacht. Terwijl we alleen maar brood en bonen wilden. En kansen.

Maar toen we scandeerden, werden we in het gezicht geschoten. Toen we ons verdedigden, werden onze kinderen in het gezicht geschoten. Ooit waren we geen terroristen, toch? We zongen samen dezelfde Syrische volksliedjes. We salueerden samen op de speelplaats voor die man met een zonnebril. We waren gelukkig. We deelden de zon en de bergen en de woestijnen en de zee.

Samen. Het is iets dat we vandaag niet meer zijn. Vandaag verraden onze namen wie we wel zijn: christen, soenniet, sjiiet of Koerd. Alleen de kerken en moskeeën waar we bidden, zijn nog uit dezelfde zandsteen opgetrokken. En onze moedertaal is nu ook dezelfde: het is de taal van de oorlog. Die delen we.

Vijf jaar oorlog heeft onze schaamte voor armoede intussen langzaam gesloopt en ongenadig op straat gegooid. Alles komt terug. Ook lemen huizen. Want cement en stenen zijn een luxe in een land zonder elektriciteit. Onze handen masseren weer rode aarde tot gladde klei. Dat vraagt tijd en die hebben we zat: niemand zit nog op ons te wachten.

We roken, slapen, wachten en luisteren naar onzichtbare gevechtsvliegtuigen. De nachten ruisen van angst. Onze trots is lang geleden ingeruild bij handelaars in miserie. Sindsdien worden de grafheuvels tussen de akkers alleen maar hoger en hoger. De doden? Die tellen we allang niet meer in Syrië.

Zelfs onze eigen oorlog is ons bestolen. Aan alle kanten worden de messen geleverd. We zijn bloedvlekken verworden op topografische kaarten in vreemde hoofdsteden. Zoals we ook onze oorlogen niet meer begrijpen. Kortademig zijn we, in een land vol kerosinedamp.

Hoe ver moeten we lopen langs bevroren prikkeldraden, om de waanzin te vergeten? Om ongezien te maken wat we aan gruwel zagen? Wat moeten we nog meer doorstaan om meer te zijn dan ongenode gasten met te luide stemmen en te donkere ogen. Zo weinig zijn we nog, en nog zijn we te veel. Maar jullie gêne snijdt ons niet. We zijn als cijfers die altijd overleven.

Hoop

De geschiedenis schuurt zich traag, ruw en gevoelloos tegen ons aan. Maar laat ons u iets vertellen: vrede wordt niet geserveerd in hotelkamers in Genève. Ons land telt al te veel vlaggen. Misschien is ons geheugen al zo vaak herschreven dat we oude kaarten moeten zoeken met haast vergeten grenzen.

En hoop is een wrede en laffe vijand. Ze doet immers hunkeren naar beter. Naar gisteren en morgen. Ze voelt jong als koele lentedagen, nog niet stukgeschoten door gloeiend schrapnel. Hoop geurt naar komijn en kardemom, maar zal hier niet meer komen. De hoop heeft Syrië al lang verlaten.